1ontstaan volkssprookje
vanuit het volk - uit angsten, verlangens en problemen van het gewone leven
2sprookjes zeggen veel over
het leven van vroeger: armoede; het geloof in heksen, geesten en tovenaarij ...
3sprookjes bedoeld voor
(jong)volwassenen
4overdracht
mondeling doorvertelt
5mondeling overgave van volkssprookjes (reden + gevolg)
mensen konden niet lezen en schrijven - auteur onbekend - meerdere varianten - bevatten veel herhaling
6gebroeders Grimm passen volkssprookjes aan (waarom)
uit commerciële overwegingen
7aanpassingen volkssprookjes door gebroeders Grimm
eenvoudiger taal gebruik: woordenschat / zinsbouw minder complex - mildere maatschappijkritiek - seksuele uitdrukkingen en acties werden geschrapt - inhoud aangepast aan hedendaagse opvoedingsideeën
8verschil cultuursprookje tov volkssprookje
geschreven door een auteur - slechts 1 versie
9algemene kenmerken sprookjes
magie en fantasie - onbepaalde tijd en plaats - ééndimensionale wereld - vlakke personages - thema - happy end - veel herhalingen - vaste formuleringen - getallensymboliek - verhaalstructuur - doel
10ééndimensionale wereld (vb)
kabouters, heksen, pratende dieren en mensen leven in 1 wereld
11vlakke personages (vb)
heksen = lelijk en slecht - prinsessen = mooi en onschuldig
12happy end (vb)
slechte personages worden afgestraft - goede personages leven nog lang en gelukkig
13veel herhalingen (reden)
makkelijker te onthouden + te volgen
14vaste formuleringen (vb)
'Spiegeltje, spiegeltje aan de wand ...' - 'Ezeltje strek je!'
15getallensymboliek (waarom + vb)
mensen waren bijgelovig - 3 feeën, 3 biggetjes, 7 dwergen, 7 geitjes
16verhaalstructuur
chronologisch: makkelijk te onthouden en te volgen
17doel (vroeger)
uiting geven aan angsten, verlangens en problemen van het gewone leven - levensles: wijzen op mogelijke gevaren in de wereld
19modern sprookje (veranderingen)
geen vlakke personages - bevatten vaak humor