H4 Wetenschapsfilosofie

27 flashcardsby JJM
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
Theorie (4)
Een samenhangend en coherent geheel
van verklaringen over de wereld
dat uitvoering onderzocht is
en empirische ondersteuning geniet
2
Hypothese
Veronderstelling, idee waarvan nog bewezen moet worden dat het juist is
3
Voorspelling
Een specifieke verwachting van wat er zal gebeuren.
4
Empirische waarneming
Het verzamelen van gegevens door observatie of experiment.
5
Empirische cyclus
Voortdurende wisselwerking tussen waarneming en theorievorming
6
Wetenschapsfilosofie
Tak van de filosofie die zich bezighoudt met wetenschap
7
Falsifieerbaarheid
De mogelijkheid om een theorie te testen en te weerleggen.
8
Probleem verificatiemethode
Te streng en in de praktijk niet haalbaar
9
Progressief
Een wetenschappelijke theorie of methode die nieuwe kennis en inzichten oplevert.
10
Degeneratief
Een wetenschappelijke theorie of methode die geen vooruitgang boekt en weinig nieuwe kennis oplevert.
11
Paradigma (4)
Een netwerk
van theorieën, methoden en strategieën
om problemen op te lossen
(binnen een gegeven wetenschappelijke discipline)
12
Periode waarin iedereen binnen hetzelfde paradigma werkt =
Normale wetenschap
13
Anomalie
Een onregelmatigheid (waarneming) die niet past binnen het heersende paradigma of de bestaande theorieën.
14
Randvoorwaarden
De externe factoren of beperkingen waarmee een wetenschappelijke theorie rekening moet houden.
15
Onderdetermineren
Het probleem dat gegevens niet voldoende zijn om één enkele theorie te bewijzen of te kiezen.
16
Pseudowetenschap
Een overtuiging of methode die zich voordoet als wetenschappelijk, maar niet voldoet aan wetenschappelijke standaarden.
17
Demarcatieprobleem
De vraag hoe we wetenschap kunnen onderscheiden van pseudowetenschap.
18
Kernwaarden (6)
De fundamentele principes die wetenschap sturen zoals eerlijkheid, openstaan voor kritiek, respect voor de waarheid, helder en geen dubbelzinnig taalgebruik, wantrouwen en open publieke discussie.
19
Periode waarin anomalieën zich opstapelen en een paradigma ter discussie wordt gesteld =
Wetenschappelijke revolutie
20
Onderzoeks-programma’s
Combinatie van een onderliggende theorie met een aantal aanvullende hypotheses noemt Lakatos onderzoeks-programma’s.
21
Harde kern
(Eén) Onderliggende theorie
22
Er zijn X en Y nodig om een hypothese ‘in contact’ te brengen met de realiteit. Ze zitten vervat in een wetenschappelijke paradigma, samen met methodologische en metafysische aannames.
Randvoorwaarden en begincondities
23
X zijn altijd theorie gebonden. Je kunt niet volstrekt objectief X.
Waarnemingen / waarnemen
24
Normatieve component
Voorschrijven hoe wetenschap behoort te zijn
25
Descriptieve component
Beschrijven hoe wetenschap functioneert
26
Reductie / reductionisme
Het verklaren van verschijnselen op een hoger niveau door te verwijzen naar onderliggende structuren en processen.
27
Unificatie / één maken
Veel verschijnselen verklaren met één theorie (of enkele eenvoudige principes)
Study all 27 cards for free