1taalvariant
wordt bepaald door het taalregister dat gebruikt wordt, mensen maken in verschillende contexten gebruik van verschillende taalvarianten
2taalregister
formeel - informeel
3taalvariatie
verschil tussen de plaatselijk gesproken taal en de standaardtaal
4Standaardnederlands
standaardvariant van het Nederlands
5gebruik Standaardnederlands
formele situaties - sociale afstand tussen sprekers vrij groot - zakelijke teksten
6AN
algemeen Nederlands (= Standaardnederlands)
7ABN
algemeen beschaafd Nederlands
8tussentaal
Brabants-Antwerps gekleurde omgangstaal die zowel kenmerken heeft van het Standaardnederlands als van het dialect
9verschil - gebruik - tegenstanders tussentaal
verschilt van gebruiker tot gebruiker, streek tot streek, situatie tot situatie - meerderheid van de Vlamingen drukt zich in deze taal mondeling vlot en verstaanbaar uit - er zijn enkele tegenstanders die het onverzorgd vinden
10kenmerken tussentaal
niet uitgesproken eindmedeklinkers - gij-systeem 2e pers. enk. - ekik 1e pers. enk. - ontbreken van de H aan het begin van een woord - verkeerde lidwoorden - lidwoord bij mannelijke persoonsnamen - hem als onderwerp - verbogen lidwoorden / vnw. / bn - verkleinwoorden op -ke - imperatief +T
11dialect
plaatselijke, lokale vorm van het Nederlands
12gebruik dialect
mensen uit dezelfde streek - thuis - bij familie -> wordt door steeds minder Vlamingen in de zuivere vorm gesproken
13sociolect
term die wordt gebruikt voor een taalvariant die typerend is voor een bepaalde sociale groep
14bij sociolecten onderscheid je
groepstalen - vaktalen
15groepstaal
eigen aan een bepaalde sociale groep, onderscheidt zich vooral op vlak van woordenschat
16vaktaal
terminologie die eigen is aan een bepaald vak / beroep, elke vaktaal heeft specifieke vaktermen die buitenstaanders vaak moeilijk begrijpen
17vaktaal (synoniem)
vakjargon