1-273°C
deeltjes bewegen niet, staan stil
20°C
deeltjes bewegen heel traag
3100°C
deeltjes bewegen snel
4warmte (van ... naar ...)
hoge temp. -> lage temp.
5vaste stof
heeft een eigen massa, volume en vorm
6vaste stof: deeltjesmodel
deeltjes trillen ter plaatse
7vaste stof: toename temp.
trillen heftiger - ruimte tussen atomen = groter - vaste positie
8vloeistof
heeft een eigen massa en volume, maar geen eigen vorm
9vloeistof: deeltjesmodel
deeltjes rollen over elkaar
10vloeistof: toename temp.
vloeistof zet uit = volume stijgt - atomen gaan verder uit elkaar
11gas
heeft een eigen massa, maar geen eigen volume en vorm
12gas: volume en vorm
neemt het volume en de vorm van het recipiënt aan
13gas: deeltjesmodel
deeltjes bewegen (vliegen) vrij door elkaar
14gas: toename temp.
sneller bewegen: aantal botsingen neemt toe
15gas: gevolg botsing
verandering van richting, zin en/of snelheid
16inwendige kinetische energie
beweging van de deeltjes komt overeen met de absolute temp.
17inwendige potentiële energie
afstand van de deeltjes tov elkaar
18kenmerken soortelijke warmtecapaciteit
c vloeistof > c vaste stof
19uitzondering kenmerken c
kwik (Hg) = vloeibaar metaal
20soortelijke warmtecapaciteit: c vloeistof > c vaste stof - gevolg
zee is altijd kouder dan zand
21ontstaan zee- en landwind: dag
temp. strand > temp. zee - wind komt van de zee
22ontstaan zee- en landwind: nacht
temp. strand < temp. zee - wind gaat weg van het strand (in de zee)
23desublimeren (van waterdamp naar ijs)
verrijpen
24smelten - stollen : warmte ...
toevoegen - onttrekken
25sublimeren - desublimeren : warmte ...
toevoegen - onttrekken
26condenseren - verdampen : warmte ...
onttrekken - toevoegen
27zuivere stof: smelt- en stolpunt
zijn gelijk
28smelt- / stolpunt
temp. blijft constant - stof komt tegelijk in de vloeibare en vaste fase voor
29verdampen bevorderen
opwarmen - blazen - groter verdampingsoppervlak
30kookpunt
temp. blijft constant - stof komt tegelijk in de vloeibare en gasvormige fase voor
31sublimatiepunt
temp. blijft constant - stof komt tegelijk in gasvormige en vaste fase voor
32boven kritisch punt
permanent gas
33smeltpunt van ijs laten dalen door - (proef van)
druk te verhogen - Tyndall
34door H-bruggen in water (volume)
V water < V ijs - water zet uit bij bevriezen
35door H-bruggen in water (dichtheid)
rho ijs < rho water - ijs drijft op water