OutLearn
Flashcard decks
Flashcard decks
Svenska 1.3 - Dagelijks
130 flashcards
by Seppe
Study these flashcards
Free · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web
All cards
1
een badkamer
ett badrum
2
bakken
bakar
3
slechts, enkel
bara
4
een auto
en bil
5
een bioscoop
en bio
6
worden
blir
7
tanden poetsen
borstar tänderna
8
fietsen
cycklar
9
een dag
en dag
10
een kinderopvang
ett dagis
11
dansen
dansar
12
afwassen
diskar
13
een discotheek
ett disko
14
drinken
dricker
15
douchen
duschar
16
dan
då
17
na
efter
18
economie
ekonomi
19
koffiepauze nemen
fikar
20
gezuurde melk
filmjölk
21
verhuizen
flyttar
22
een ontbijt
en frukost
23
te + adj.
för + adj.
24
eerst
först
25
tamelijk, redelijk
ganska
26
graag hebben
gillar
27
huilen
gråter
28
gaan
går
29
naar de ... gaan
gå på ...
30
een keer, maal
en gång
31
lunchpauze hebben
har lunchrast
32
half acht
halv åtta
33
boodschappen doen
handlar
34
naar huis
hem
35
van huis weg
hemifrån
36
lunchpauze hebben
har lunchrast
37
in de week
i veckan
38
werken
jobbar
39
joggen
joggar
40
een koffiepauze
en kafferast
41
je haar kammen
kammar häret
42
koud
kall
43
om ... uur
klockan ...
44
zich aankleden
klär på sig
45
thuiskomen
kommer hem
46
een concert
en konsert
47
een café
en krog
48
kwart voor één
kvart i ett
49
een keuken
ett kök
50
kopen
köper
51
rijden
kör
52
eten klaarmaken
lagar mat
53
liggen
ligger
54
liggen te slapen
ligger och sova
55
klein
liten
56
leven
liver
57
een lunchpauze
en lunchrast
58
luisteren naar
lyssnar på
59
gaan liggen/slapen
lägger sig
60
achterlaten/verlaten
lämnar
61
leren
lär sig
62
terwijl
medan
63
een warme maaltijd
en middag
64
moeten
måste
65
nieuw
ny
66
een parfum
en parfym
67
praten
pratar
68
´s ochtends
på morgonen
69
de hond uitlaten
rastar hunden
70
een restaurant
en restaurang
71
telefoneren naar
ringer till
72
roken
röker
73
dan
sedan
74
laat
sent
75
zes
sex
76
zwemmen
simmar
77
zitten
sitter
78
zeven
sju
79
zingen
sjunger
80
zelf
själv
81
zal
ska
82
schrijven
skriver
83
stoppen
slutar
84
een belegd broodje
en smörgås
85
slapen
sover
86
spelen
spelar
87
computerspelletjes spelen
spela dataspel
88
opstaan
stiger upp
89
staan
står
90
verkopen
säljer
91
gaan zitten
sätter sig
92
TV
teve
93
vroeg
tidig
94
een krant
en tidning
95
tot
till
96
kijken naar
tittar på
97
twaalf
tolv
98
trainen
tränar
99
moe
trött
100
zich wassen
tvättar sig
101
denken aan
tänker på
102
in het weekend
under helgen
103
wakker worden
vaknar
104
gewoon/alledaags
vanlig
105
een warenhuis
ett varuhus
106
weten
vet
107
bij
vid
108
willen
vill
109
een wijn
et vin
110
heel +adj
väldigt +adj
111
een vriendin
en väninna
112
gaan (niet te voet) / vervoeren
åker
113
skiën
åker skidor
114
eindelijk
äntligen
115
eten
äter
116
een bier
ett öl
117
nooit
aldrig
118
altijd
alltid
119
gewoon zijn te ...
brukar ...
120
af en toe
då och då
121
éénmaal per maand
en gång per månad
122
éénmaal per week
en gång per vecka
123
éénmaal per jaar
en gång per år
124
éénmaal per dag
en gång per dag
125
soms
ibland
126
bijna nooit
nästan aldrig
127
vaak
ofta
128
zelden
sällan
129
tweemaal per week
två gånger per vecka
130
elke dag
varje dag
Study all 130 cards for free