1ab ovo
verhaal begint vanaf het begin - beginpunt verteltijd = beginpunt vertelde tijd - de polt wordt verteld vanaf het vroegste moment in de vertelde tijd
2in medias res
de lezer wordt in het midden van een handeling gegooid - voorafgaande gebeurtenissen worden geleidelijk later meegedeeld
3post rem
verhaal begint na de acties - je keert terug naar het begin met een flashback - de plot begint bij het einde van het verhaal
4protagonist
wordt voor een probleem geplaatst dat hij/zij moet oplossen
5opmerking probleem van de protagonist
niet per se een letterlijk probleem -> verlangen, iets wat hij/zij wil bereiken ...
6antagonist
maakt het de protagonist moeilijker / onmogelijk om zijn/haar doel te bereiken
7opmerking bedoelingen van de antagonist
niet per se slechte bedoelingen
8nevenfiguren
helpers / tegenstanders van de protagonist
9figuranten
niet echt belangrijk voor het verhaal
10impliciete typering
karaktereigenschappen zelf uit de tekst afleiden
11expliciete typering
karaktereigenschappen staan expliciet (letterlijk) in de tekst
12belevende ik-verteller
neemt deel aan de actie - vertelt het verhaal terwijl het gebeurt
13vertellende ik-verteller
heeft deelgenomen aan de actie - kijkt terug naar de actie (vertelt het verhaal nadat het is gebeurd)
14ik-vertellers kunnen niet
in de hoofden van andere personages kijken - in de toekomst kijken
15personele verteller
= personage in het verhaal - vertelt het verhaal terwijl het gebeurt - kan niet in de hoofden van andere personages kijken / in de toekomst kijken
16alwetende / auctoriële verteller
zweeft boven het verhaal - weet en ziet alles (kan dingen in de toekomst voorspellen)
17kenmerk alwetende / auctoriële verteller
kan soms ook een personage in het verhaal zijn
18meervoudig vertelperspectief
vertelperspectief wisselt af ( is niet voor het hele verhaal / boek hetzelfde)
19onbetrouwbare verteller
lezer misleiden - verteller heeft een narratieve functie - andere oorzaak waardoor de verteller niet betrouwbaar is
20onbetrouwbare verteller: lezer misleiden
bewust of onbewust
21onbetrouwbare verteller: narratieve functie
kennis achterhouden - iemand in een slecht licht zetten / bestempelen als onbetrouwbaar - voor een komisch effect
22onbetrouwbare verteller: andere oorzaken
psychische / mentale afwijking - geen expertise over de zaak - dronken / onder invloed van ... - denkt stereotiep
23geografische ruimte
plaats waar de gebeurtenissen in het verhaal zich afspelen - aan te duiden op een kaart
24materiële ruimte
plaats waar de gebeurtenissen in het verhaal zich afspelen - niet aan te duiden op een kaart ( - elementen die noodzakelijk zijn voor het begrip van de ruimte )
25sfeerscheppende ruimt
beschrijving van de ruimte
26sociale ruimte
sociale groep waartoe personages behoren = hun 'milieu' - bepaald door hun afkomst, beroep, opleiding, hobby's ...
27symbolische ruimte
de ruimte kan symbolisch zijn voor de gevoelens personage / situatie waarin het personage zich bevindt
28kalendertijd
tijdsperiode waarin het verhaal zich afspeelt
29kenmerken kalendertijd
nauwkeurig - bij benadering -> bewijzen leveren uit de tekst
30uurtijd: lineair
tijdlijn volgt een vaste chronologische volgorde
31uurtijd: onomkeerbaar
teruggaan in de tijd gaat niet (tijdreizen = onmogelijk)
32uurtijd: doorlopend
de tijd stopt niet
33uurtijd heeft een ... tijdsvolgorde
chronologische
34prospectie / vooruitwijzing
vooruitblik naar de toekomst (gedacht aan wat zal komen)
35retrospectie / terugblik
terugblik naar het verleden (herinnering)
36kenmerk pro- en retrospectie
onderbreken de chronologie niet
37flashback
je wordt meegenomen naar een (langere) voorbije periode
38flashforward
je wordt meegenomen naar een (langere) periode in de toekomst
39verteltijd uitgedrukt in
tijd / aantal pagina's
40verteltempo: versnelling / tijdsprong
verteltijd < vertelde tijd - vaak om het verhaal te versnellen, niet te langdradig te maken
41verteltempo: vertraging / retardering
verteltijd > vertelde tijd - vaak om spanning te creëren
42verteltempo: tijddekking / isochronie
verteltijd = vertelde tijd - vaak bij dialogen / gesprekken in een tekst
43verhaalmotieven
binnen 1 verhaal (hebben enkel betekenis binnen dat verhaal)
44abstracte motieven
over verschillende verhalen heen (niet enkel betekenis binnen 1 verhaal) - clichés
45leidmotieven
binnen 1 verhaal
46gesloten einde
hoofdvraag / probleem van de protagonist is opgelost - we weten wat er gebeurt - er zijn geen losse eindjes meer
47kenmerk gesloten einde
er kunnen nog vragen overblijven
48open einde
op het einde van het verhaal blijft de hoofdvraag onbeantwoord - we weten niet hoe het afloopt
49cliff hanger
het verhaal wordt op een cruciaal moment afgebroken - lezer / kijker wordt benieuwd naar het vervolg
50kenmerk cliff hanger
strategie om de lezer / kijker door suspense aan het vervolg te binden