Bouwstenen van verhalen

50 flashcardsby Yani
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
ab ovo
verhaal begint vanaf het begin - beginpunt verteltijd = beginpunt vertelde tijd - de polt wordt verteld vanaf het vroegste moment in de vertelde tijd
2
in medias res
de lezer wordt in het midden van een handeling gegooid - voorafgaande gebeurtenissen worden geleidelijk later meegedeeld
3
post rem
verhaal begint na de acties - je keert terug naar het begin met een flashback - de plot begint bij het einde van het verhaal
4
protagonist
wordt voor een probleem geplaatst dat hij/zij moet oplossen
5
opmerking probleem van de protagonist
niet per se een letterlijk probleem -> verlangen, iets wat hij/zij wil bereiken ...
6
antagonist
maakt het de protagonist moeilijker / onmogelijk om zijn/haar doel te bereiken
7
opmerking bedoelingen van de antagonist
niet per se slechte bedoelingen
8
nevenfiguren
helpers / tegenstanders van de protagonist
9
figuranten
niet echt belangrijk voor het verhaal
10
impliciete typering
karaktereigenschappen zelf uit de tekst afleiden
11
expliciete typering
karaktereigenschappen staan expliciet (letterlijk) in de tekst
12
belevende ik-verteller
neemt deel aan de actie - vertelt het verhaal terwijl het gebeurt
13
vertellende ik-verteller
heeft deelgenomen aan de actie - kijkt terug naar de actie (vertelt het verhaal nadat het is gebeurd)
14
ik-vertellers kunnen niet
in de hoofden van andere personages kijken - in de toekomst kijken
15
personele verteller
= personage in het verhaal - vertelt het verhaal terwijl het gebeurt - kan niet in de hoofden van andere personages kijken / in de toekomst kijken
16
alwetende / auctoriële verteller
zweeft boven het verhaal - weet en ziet alles (kan dingen in de toekomst voorspellen)
17
kenmerk alwetende / auctoriële verteller
kan soms ook een personage in het verhaal zijn
18
meervoudig vertelperspectief
vertelperspectief wisselt af ( is niet voor het hele verhaal / boek hetzelfde)
19
onbetrouwbare verteller
lezer misleiden - verteller heeft een narratieve functie - andere oorzaak waardoor de verteller niet betrouwbaar is
20
onbetrouwbare verteller: lezer misleiden
bewust of onbewust
21
onbetrouwbare verteller: narratieve functie
kennis achterhouden - iemand in een slecht licht zetten / bestempelen als onbetrouwbaar - voor een komisch effect
22
onbetrouwbare verteller: andere oorzaken
psychische / mentale afwijking - geen expertise over de zaak - dronken / onder invloed van ... - denkt stereotiep
23
geografische ruimte
plaats waar de gebeurtenissen in het verhaal zich afspelen - aan te duiden op een kaart
24
materiële ruimte
plaats waar de gebeurtenissen in het verhaal zich afspelen - niet aan te duiden op een kaart ( - elementen die noodzakelijk zijn voor het begrip van de ruimte )
25
sfeerscheppende ruimt
beschrijving van de ruimte
26
sociale ruimte
sociale groep waartoe personages behoren = hun 'milieu' - bepaald door hun afkomst, beroep, opleiding, hobby's ...
27
symbolische ruimte
de ruimte kan symbolisch zijn voor de gevoelens personage / situatie waarin het personage zich bevindt
28
kalendertijd
tijdsperiode waarin het verhaal zich afspeelt
29
kenmerken kalendertijd
nauwkeurig - bij benadering -> bewijzen leveren uit de tekst
30
uurtijd: lineair
tijdlijn volgt een vaste chronologische volgorde
31
uurtijd: onomkeerbaar
teruggaan in de tijd gaat niet (tijdreizen = onmogelijk)
32
uurtijd: doorlopend
de tijd stopt niet
33
uurtijd heeft een ... tijdsvolgorde
chronologische
34
prospectie / vooruitwijzing
vooruitblik naar de toekomst (gedacht aan wat zal komen)
35
retrospectie / terugblik
terugblik naar het verleden (herinnering)
36
kenmerk pro- en retrospectie
onderbreken de chronologie niet
37
flashback
je wordt meegenomen naar een (langere) voorbije periode
38
flashforward
je wordt meegenomen naar een (langere) periode in de toekomst
39
verteltijd uitgedrukt in
tijd / aantal pagina's
40
verteltempo: versnelling / tijdsprong
verteltijd < vertelde tijd - vaak om het verhaal te versnellen, niet te langdradig te maken
41
verteltempo: vertraging / retardering
verteltijd > vertelde tijd - vaak om spanning te creëren
42
verteltempo: tijddekking / isochronie
verteltijd = vertelde tijd - vaak bij dialogen / gesprekken in een tekst
43
verhaalmotieven
binnen 1 verhaal (hebben enkel betekenis binnen dat verhaal)
44
abstracte motieven
over verschillende verhalen heen (niet enkel betekenis binnen 1 verhaal) - clichés
45
leidmotieven
binnen 1 verhaal
46
gesloten einde
hoofdvraag / probleem van de protagonist is opgelost - we weten wat er gebeurt - er zijn geen losse eindjes meer
47
kenmerk gesloten einde
er kunnen nog vragen overblijven
48
open einde
op het einde van het verhaal blijft de hoofdvraag onbeantwoord - we weten niet hoe het afloopt
49
cliff hanger
het verhaal wordt op een cruciaal moment afgebroken - lezer / kijker wordt benieuwd naar het vervolg
50
kenmerk cliff hanger
strategie om de lezer / kijker door suspense aan het vervolg te binden
Study all 50 cards for free