Les 1.6: Bouwstenen van verhalen (p. 65-75)

38 flashcardsby Yani
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
protagonist
wordt voor een probleem geplaatst dat hij/zij moet oplossen - belangrijkste persoon / hoofdpersonage - rond dit personage draait het hele gebeuren
2
antagonist (synoniem)
tegenspeler
3
antagonist
maakt het de protagonist moeilijker / onmogelijk om zijn/haar doel te bereiken - heeft een belangrijke invloed op de protagonist - dikwijls de directe aanleiding voor een crisis
4
nevenfiguren
helpers / tegenstanders van de protagonist - meestal slechts 1 / 2 duidelijke karaktertrekken - reageren vaak op dezelfde manier
5
figuranten
laten het verhaal echt lijken - niet echt belangrijk voor het verhaal
6
volle karakters
lijken echte mensen met verschillende karaktertrekken - maken een evolutie door
7
vlakke karakters
stereotiep (vast en onveranderlijk) - hebben meestal 1 opvallende eigenschap - reageren vaak op dezelfde manier
8
vertelperspectief
standpunt van waaruit de verteller de gebeurtenissen vertelt
9
2 soorten ik-vertellers
vertellende en belevende
10
vertellende ik-verteller
heeft deelgenomen aan de actie / is er getuige van geweest - beschrijft de gebeurtenissen nadat ze hebben plaatsgevonden (terugblik) - O.V.T.
11
belevende ik-verteller
neemt deel aan de acties in het verhaal - beschrijft de gebeurtenissen op het moment dat ze plaatsvinden - de lezer weet evenveel als de ik-persoon op dat moment weet, denkt of voelt - O.T.T.
12
verschillende vertelstandpunten (niet ik-verteller)
personeel - alwetend / auctorieel - meervoudig
13
personeel vertelperspectief
je volgt een bepaald personage: gebeurtenissen worden rechtstreeks aan de lezer gepresenteerd via dat ene personage - lijkt alsof het verhaal zichzelf vertelt - lezer heeft direct toegang tot de gedachten en gevoelens van het personage - vooruit lopen in de tijd is onmogelijk: het personage weet niet wat er verder zal gebeuren
14
alwetend / auctorieel vertelperspectief
verteller staat buiten het verhaal: neemt niet deel als personage, maar weet alles en kent de personages door en door - verteller geeft soms commentaar op de gebeurtenissen + kan handelingen in de toekomst voorspellen - verteller weet wat er op verschillende plaatsen tegelijk gebeurt + is op de hoogte van de gedachten en gevoelens van meer dan 1 personage - verteller richt zich soms rechtstreeks tot de lezer
15
meervoudig vertelperspectief
het verhaal wordt vanuit meerdere standpunten verteld
16
kalendertijd
tijdsperiode waarin een verhaal zich afspeelt
17
anachronisme
fout tegen de kalendertijd
18
tijdsvolgorde in de meeste verhalen
chronologisch
19
onderbrekingen van de chronologische tijdsvolgorde (langere periode)
flashback - flashforward
20
flashback
je wordt meegenomen naar een voorbij periode
21
flashforward
je wordt meegenomen naar de toekomst
22
onderbrekingen van de chronologische tijdsvolgorde (heel korte periode)
terugwijzing - vooruitwijzing
23
terugwijzing
korte gedachte / herinnering
24
verteltempo
relatie tussen de verteltijd en de vertelde tijd
25
verschillende verteltempo's
hoog en laag
26
verteltijd
tijd die nodig is om het verhaal te vertellen / lezen
27
vertelde tijd
tijd die voorbijgaat in het verhaal
28
tijdsprongen
de auteur vertelt een levensverhaal in een paar pagina's
29
tijdsprongen (verteltempo)
het verhaal gaat snel - verteltijd < vertelde tijd - hoog verteltempo
30
retardering
de auteur beschrijft de gebeurtenissen zeer uitvoerig
31
retardering (verteltempo)
het verhaal ontwikkelt zich traag - verteltijd > vertelde tijd - laag verteltempo
32
tijddekking
het tijdsverloop komt overeen met de werkelijkheid
33
tijddekking (verteltempo + synoniemen)
verteltijd = vertelde tijd - isochronie / dramatische tijd
34
geografische ruimte
plaats waar de gebeurtenissen in het verhaal zich afspelen, aan te duiden op een kaart - kan werkelijk bestaan of fictief verzonnen zijn
35
materiële ruimte
plaats waar de gebeurtenissen in het verhaal zich afspelen, niet aan te duiden op een kaart - kan werkelijk bestaan of fictief verzonnen zijn
36
sfeerscheppende ruimte
beschrijving van de ruimte kan een weergave zijn van de stemming in het verhaal - nooit 1 woord: soms (meerdere zinnen)
37
sociale ruimte
personages maken door hun afkomst, beroep, hobby's, opleiding ... deel uit van een bepaalde sociale ruimte
38
symbolische ruimte
de ruimte kan symbolisch zijn voor de gevoelens van het personage / de situatie waarin het zich bevindt
Study all 38 cards for free