2populatie
individuen van dezelfde soort samen - eigen leefgebied - eigen taak / niche
3taak / niche (doel)
bijdrage leveren aan het ecosysteem
4ecosysteem (relaties tussen)
levende organismen (biotische factoren) - organismen en hun omgeving (biotische en abiotische factoren)
5we onderscheiden ... biomen op aarde
14
6grote van een ecosysteem: afhankelijk van de
hoeveelheid relaties - opp. die ze innemen
7soorten ecosystemen
groot / klein - eenvoudig / complex
8grootste, meest complexe ecosysteem
de volledige biosfeer
93 onderdelen van de biosfeer
lithosfeer - hydrosfeer - atmosfeer
11hydrosfeer
geheel van water
12atmosfeer
dampkring, lucht
13niche bestaat uit 2 niveaus
1. voedselrelaties: eten en gegeten worden 2. invloed op de abiotische aspecten van de leefplaats
14organismen met dezelfde niche
concurrenten
15verschillende niches
voedselbron voor anderen - begrazing - foerageren - graven van holen - bemesten van de grond
16begrazing (voordelen)
makkelijker verplaatsen - voorkomt woekeren
17graven van holen (voordelen)
verluchting van de grond: meer CO2 - nestplaats / beschermingsplaats
18bemesten van de grond (hoe?)
uitwerpselen
19sleutelsoort (voordeel)
zorgt voor voedsel en leefgebied voor vele andere soorten
20producerende ecosysteemdiensten (voordelen)
voedsel - drinkwater - natuurlijke geneesmiddelen - grondstoffen en energie
21producerende ESD: voedsel
voedselproducerende ecosystemen - 35% van de wereldproductie = volledig afhankelijk van de bestuiving van dieren
22producerende ESD: drinkwater
rivieren en meren: voorzien ons van grote voorraden water - bos- en duinbodems: filterende werking = belangrijk voor het aanleveren van drinkwater
23producerende ESD: natuurlijke geneesmiddelen
plantensoorten leveren medicijnen: sap van de bloembollen van slaapbol = pijnstiller morfine - naalde van taxussoorten = grondstof voor een kankermedicijn
24producerende ESD: grondstoffen en energie
grondstoffen voor de bouw, textiel, industrie - grondstoffen om energie uit te halen
25regulerende ecosysteemdiensten (voordelen)
klimaatregulatie - soorten in stand houden door bestuiving - afvalverwerking en waterzuivering - biologische plaagbestrijding
26buffer
verstoring tegenwerkend
27CO2 komt vrij bij
verbrandingsprocessen
28regulerende ESD: klimaatregulatie
buffer tegen de klimaatopwarming: bossen en algen in de oceaan = CO2 capteren uit de lucht door fotosynthese
29regulerende ESD: soorten in stand houden door bestuiving
bijen, hommels en andere insecten verzekeren de voortplanting van meer dan 75% van alle plantensoorten - belangrijk voor de biodiversiteit, land- en tuinbouwproductie
30regulerende ESD: afvalverwerking en waterzuivering
waterstromen, meren: zelfreinigend vermogen -> door micro-organismen gezuiverd via biologische processen
31ideale schuil- en overwinterplaats voor predatorinsecten
hagen - perceel randen
32culturele ecosysteemdiensten (voordelen)
recreatie - ecotoerisme - esthetische waarden - culturele waarden
33culturele ESD: recreatie
wandelen, fietsen, sporten - lichamelijke conditie verbeteren - geestelijke ontspanning
34culturele ESD: esthetische waarden
schoonheid van de natuur
35culturele ESD: culturele waarden
hoeveelheid groen bepaald de sfeer onder de mensen: verkoopwaarde van huizen en bouwgronden
36ondersteunende ecosysteemdiensten (voordelen)
productie zuurstofgas door fotosynthese - voedsel- en materiekringloop onderhouden - vruchtbare bodems vormen en vasthouden - in habitat voorzien
37fytoplankton + zoöplankton (voordelen)
zorgen voor waterzuivering, klimaatregulatie en zuurstofproductie
38piramide van aantallen
alle schakels uit een voedselketen voorgesteld in een piramide
39voedselniveau
schakel uit de voedselketen
40stralingsenergie
energie die de zon aan planten verschaft
41autotroof
organisme dat zelf energierijke stoffen kan aanmaken
42heterotroof
organisme dat energierijke stoffen moet opnemen door het consumeren van andere organismen
43situaties waarbij planten in contact komen met reducenten
dode resten - afbraakprocessen
44anorganisch materiaal
mineralen
45chemische energie
energie die een consument opneemt uit voedsel
46door welke molecule nemen consumenten chemische energie op uit voedsel
glucose
47situaties waarbij dieren in contact komen met reducenten
dode resten - uitwerpselen (onverteerde resten)
48celademhaling: nodig voor
beweging - groei - stofwisseling
49energie van de zon naar producenten > energie van producenten naar consumenten: reden
zon vormt de energiebron voor alle voedselniveaus, een deel van de energie gaat verloren
50maximum aantal schakels in een voedselkringloop
8
51piramide van energie
drukt de hoeveelheid energie uit die wordt doorgegeven naar een volgend trofisch niveau
52energiestroom (wat gebeurt er met de energie)
10% wordt opgeslagen - 90% gaat verloren
5390% van de energie gaat verloren (waaraan)
warmte - uitwerpselen - celademhaling (bewegingsenergie) - dode planten / dieren die niet volledig verteerd zijn
54biomassa uitgedrukt in
kg
55piramide van biomassa
weergave van een voedselketen met ipv organismeaantallen de biomassa
56piramide van aantallen - piramide van biomassa (afwijkingen)
mogelijk - nooit
57biomassa planten tov biomassa planteneters tov vleeseters
vorige schakel = altijd groter
58doorgave van biomassa
10% wordt doorgegeven - 90% wordt omgezet in organische stoffen (gaat verloren)
591kg aan voedsel wordt gegeten (biomassa die wordt doorgegeven)
100g - enkel de energie in het voedsel die in lichaamseigen organische stoffen kunnen worden omgezet
60planteneters verliezen veel meer energie via uitwerpselen (reden)
planten bevatten onderdelen die we niet kunnen verteren