1associëren (met)
linken aan, in verband brengen met
2doorsnee
gemiddeld, normaal
3frequent
vaak, regelmatig, herhaaldelijk
4inschatten
beoordelen, aanvoelen, peilen
5integreren
verenigen, inburgeren, opgaan in
6minimaliseren
beperken, verkleinen
7het motto
de lijfspreuk, de leuze
8opleveren
opbrengen, veroorzaken
9opteren
kiezen (voor), verkiezen
10de parallel
de gelijkenis, de overeenkomst
11stroken (met)
overeenkomen met
12uitsluitend
enkel, alleen, slechts
13vertonen
(zich) laten zien / afspelen
14voortkomen (uit)
ontstaan (uit), voortvloeien (uit) / afstammen (van)
15de wending
de verandering, de richting