1kringloop (stof)
elke stof doorloopt een kringloop aangezien materie niet zomaar verdwijnt of verschijnt
2biomen bevatten verschillende
kringlopen
3organische stoffen zijn opgebouwd uit
koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O) - kunnen ook stikstof (N) en fosfor (P) bevatten
4kringloop van materie
hierdoor is de voorraad aan organische stoffen i/e ecosysteem onuitputtelijk
5evaporatie + transpiratie
evapotranspiratie
6watercyclus 1
stralingsenergie / zonlicht zorgt voor evapotranspiratie - verdamping van water / ° van waterdamp uit open water, bodem en vegetatie
7watercyclus 2
waterdamp condenseert tot wolken -> wolken groeien + verplaatsen
8watercyclus 3
wolken zijn verzadigd + te zwaar -> neerslag komt naar beneden
9watercyclus 4
deel v/h water sijpelt i/d grond + deel v/h water gaat via rivieren, meren en grondwaterstromen naar de zee / het laagst gelegen punt
10fotosynthese is belangrijk voor
zuurstofkringloop
11opname van stoffen door de plant: water - koolstofdioxide - zonlicht
wortelhaartjes - huidmondjes (bladeren) - chlorofyl (valt op de chloroplasten)
12chloroplasten (kenmerk)
alle groene delen van de plant bevatten deze - bevat chlorofyl
13meeste energie van een plant wordt opgewekt
in de bladeren
14fotosynthese vindt plaats in
planten, bacteriën en algen (fytoplankton)
15glucose (verbindingen die worden gevormd bij fotosynthese) + gebruik van deze verbindingen
cellulose, zetmeel, eiwitten en vetten + als voedsel voor mensen en dieren
16glucose (brutoformule)
C6H12O6
17celademhaling dankzij
mitochondriën
18organismen die zuurstof gebruiken bevatten
mitochondriën
19glucose (verbindingen die gevormd worden bij celademhaling)
glycogeen, eiwitten en vetten
20koolstofassimilatie (=)
fotosynthese
21koolstofdissimilatie (=)
celademhaling
22koolstof wordt vastgelegd in
glucose
23koolstofkringloop 1
planten nemen CO2 op door fotosynthese
24koolstofkringloop 2
glucose wordt omgezet in bouwstoffen: eiwitten, zetmeel en vetten (vormen de biomassa)
25koolstofkringloop 3
mensen en dieren nemen de bouwstoffen op -> CO2 komt in hun lichaam terecht
26koolstofkringloop 4
door celademhaling komt een deel van de CO2 terug vrij in de atmosfeer
27koolstofkringloop 5
planten en dieren sterven -> resten op de grond worden opgenomen door reducenten (hierbij kom ook CO2 vrij)
28koolstofkringloop 6
dode resten worden omgezet naar fossiele brandstoffen (anaeroob milieu)
29oorzaken verstoring van de koolstofkringloop
te veel verbranding van fossiele brandstoffen - ontbossing
30stikstof kan aanwezig zijn onder verschillende vormen
gas in de atmosfeer: stikstofgas (N2) 79% - opgelost in grondwater: nitraat (NO3-), nitriet (NO2-), ammonium (NH4+), ammoniak (NH3) - gebonden in organisch materiaal: eiwitten
31stikstofgas uit de lucht
kan door de meeste organismen niet rechtstreeks worden opgenomen
32micro-organismen (stikstofcyclus)
zetten stikstofgas uit de lucht om in ammonium en nitraationen zodat het de voedselkringloop binnen kan komen via planten
33anaerobe bacteriën (stikstofkringloop: vb.)
bodem- en wortelknolbacteriën (peulvruchten)
34stikstofgas tijdens onweer
bliksem leidt tot de reactie van stikstofgas met ozon om stikstofoxiden te vormen
35stikstofoxiden bereiken de bodem (hoe)
ze worden door regenwater omgezet in nitraationen die via neerslag de bodem bereiken
36belangrijkste bron van stikstofverbindingen voor de producenten
nitraationen, maar ook ammonium en ammoniak kunnen worden opgenomen
37gebruik van stikstof door producenten
bij de synthese van organische verbindingen: plantaardige eiwitten
38consumenten eten planten (gevolg)
zetten een deel om in dierlijke eiwitten - breken een deel af tot urine
40reducenten bij ammonificatie (vb.)
rottings- en urobacteriën
41hoeveel ammoniak en ammoniumionen nemen producenten op bij ammonificatie
slechts een klein beetje
42deammonificatie via
anaerobe bacteriën
43energie die vrijkomt bij deammonificatie
gebruikt door bodembacteriën voor hun metabolisme
44stikstofkringloop sluit zich bij
deammonificatie en denitrificatie
45nitrificatie via
aerobe bacteriën
46denitrificatie = specifieke vorm van
stikstofdissimilatie
47moleculen die stikstof en fosfor bevatten
nutriënten die onmiskenbaar zijn voor planten
48verstoringen
nitraat- en fosfaatkringloop - luchtzuivering - ecosystemen door klimaatverandering - bodemvruchtbaarheid
49fosfaten (PO4³-) en nitraten (NO3-)
uitstekende voedingsstoffen voor planten
50waarom worden populaties in de poel niet erg groot
omdat fosfaten en nitraten schaars zijn
51fosfaten (waar)
tal van detergenten
52nitraten (waar)
in de landbouw in de vorm van meststoffen die aan akkers worden toegevoegd + uitstoot industrie
53stikstofminnende planten (vb)
brandnetels, onkruid, braambesstruiken, algen
54eutrofiërende stoffen (vb) (gevolg)
fosfaten en nitraten: te hoge concentratie hiervan leidt tot eutrofiëring
55eutrofiëring kan zich al voordoen bij
relatief lage fosfaatconcentraties
56fase 1 van de eutrofiëring
voedselverrijking
57fase 1 van de eutrofiëring - 1
aantal algen en fotosynthetiserende micro-organismen stijgt
58algen en fotosynthetiserende micro-organismen
produceren overdag zuurstof maar verbruiken het 's nachts ook
59fase 1 van de eutrofiëring - 2
geen zonlicht meer dieper in het water -> enkel nog productie van zuurstofgas in de bovenste waterlagen = geen FS en O2 meer, enkel nog CO2
60gevolg fase 1 van de eutrofiëring
aantal vissen neemt toe doordaat er meer voedsel is -> zuurstofschommeling: vissen sterven = meer organisch materiaal
61oorzaak zuurstoftekort fase 1 van de eutrofiëring
aerobe reducenten breken organisch afval af
62fase 2 van de eutrofiëring
anaerobiose
63fase 2 van de eutrofiëring - 1
geen zuurtstofgas meer: anaerobiose
64fase 2 van de eutrofiëring - 2
anaerobe reducenten nemen de taak van de aerobe reducenten over -> ° van giftige stoffen zoals ammoniak en nitriet
65gevolg fase 2 van de eutrofiëring
vergiftiging van fauna en flora + verzuring van het water
66atmosfeer (funtie)
beschermt het leven op aarde tegen schadelijk uv-straling - houdt de temp min of meer constant
67neerslag (functie)
verwijdert stof uit de lucht
68atmosfeer bestaat uit verschillende gassen
stikstofgas 78% - zuurstofgas 21% - koolstofdioxiode - argon - andere gassen
69gemiddelde temp op aarde met atmosfeer
15°C
70gemiddelde temp op aarde zonder atmosfeer
-18°C
71broeikaseffect 1
zonnestraling komt de atmosfeer binnen
72broeikaseffect 2
zonne-energie wordt door het aardoppervlak omgezet in warmte
73broeikaseffect 3
de hittie wordt gedeeltelijk teruggekaatst in de atmosfeer
74broeikaseffect 4
deel van de teruggekaatste hitte wordt tegengehouden door broeikasgassen
75versterking van het broeikaseffect
door de uitstoot van CO2 en extra CH4 uitstoot
76uitstoot CO2 door
verbranding van afval en fossiele brandstoffen
77uitstoot CH4
afkomstig van veeteelt
78versterking broeikaseffect leidt tot
klimaatverandering
79klimaatverandering veroorzaakt schade aan
ecosystemen - biodiversiteit - alle subsystemen die daarvan afhankelijk zijn
80subsystemen (vb)
landbouw, visserij, wereldeconomie
81gevolgen van 1°C stijging
smelten van de Noordpool - wereldwijde aantasting koraalriffen - unieke ecosystemen en biodiversiteiten verdwijnen - dust bowl keert terug
82gevolgen van 2°C stijging
ernstige hittegolven - verzuring van de oceanen
83gevolg verzuring
bemoeilijk de vorming van kalkskeletten
84verstoring van de ecosystemen door klimaatverandering
soorten moeten schuiven met hun ideale omstandigheden - interacties binnen ecosystemen raken in de war - verlies van biodiversiteit - verlies van natuur versterkt de klimaatopwarming
85soorten moeten schuiven met hun ideale omstandigheden (door)
invasieve soorten
86interactie binnen ecosystemen raken in de war (gevolg)
organismen gaan te vroeg uit hun winterslaap
87verlies van biodiversiteit (gevolg)
organismen migreren naar plaatsen met betere omstandigheden
88verlies van natuur versterkt de klimaatopwarming
bosbranden -> CO2 -> er zijn geen bomen meer die CO2 naar O2 kunnen omzetten -> klimaatverandering
89verstoring van de bodemvruchtbaarheid
verzuring - vermesting - verharding - versnippering
903 soorten bodemvruchtbaarheid
chemisch - fysisch - biologisch
91belangrijk bij de chemische bodemvruchtbaarheid
zuurtegraad
92luchtigheid van de bodem wordt bepaald door
hoeveelheid water en zuurstofgas de plantenwortels kunnen bereiken + doordringbaarheid van de bodem is hiervan afhankelijk
93wat verhoogt de fysische bodemvruchtbaarheid
orgaismen die gangen graven
94bodemvruchtbaarheid wordt bedreigt als
chemische, fysische en biologische factoren ingrijpend wijzigen
95ontstaan zure regen
door de productie van ammoniak, zwaveloxiden en stikstofoxiden door de industrie, landbouw en het verkeer
96zure regen (gevolg)
tast planten en de bodem waarin ze groeien aan
97stoffen die zuren neutraliseren (+ werken als)
kalk, mineralen, humus, aluminium- en ijzeroxiden - buffer
98verzuring komt voor als
er teveel zuur in de bodem aanwezig is en de buffer niet meer werkt
99gevolgen verzuring van de bodem
bomen en planten: vinden de juiste voedingsstoffen niet meer -> vatbaar voor ziekten - kunnen de aanwezige voedingsstoffen moeilijker opnemen - giftige metalen komen vrij
100giftige metalen die vrijkomen bij verzuring
spoelen uit naar het grond- en oppervlaktewater
101vermesting: de begroeiing vormt een
eenvormige massa stikstofminnende planten
102oplossing vermesting
mestactieplan
103maatregelen verzuring en vermesting
verminderen uitstoot van stikstofdioxiden door de industrie, verkeer + uitstoot ammoniak en fosfaat door de landbouw
104gevolgen van verharding
overstromingen - versnippering van habitats - overbelasting van de resterende vrije bodem
105vrije bodems voorkomen dat
alle neerslag snel in het oppervlaktewater terechtkomt
106verharde omgeving (kenmerk)
warmer omdat er geen bomen zijn die voor verdamping zorgen: daarom is het in een bos kouder
107resterende vrije bodems gebruikt als
landbouwgrond
108landbouwgrond (kenmerk)
gevoelig voor erosie omdat er weinig planten zijn
109wortels van planten
houden de bodem vast zodat deze minder snel wegspoelt als het regent
110wegen
isoleren populaties en maken genetische uitwisseling onmogelijk
111kleiner natuurgebied =
gevoeliger voor verstoringen
112gevolg versnippering
populaties uit de ene biotoop kunnen het verlies in de andere biotoop niet meer aanvullen - biodiversiteit neemt af