Kringlopen

112 flashcardsby Yani
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
kringloop (stof)
elke stof doorloopt een kringloop aangezien materie niet zomaar verdwijnt of verschijnt
2
biomen bevatten verschillende
kringlopen
3
organische stoffen zijn opgebouwd uit
koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O) - kunnen ook stikstof (N) en fosfor (P) bevatten
4
kringloop van materie
hierdoor is de voorraad aan organische stoffen i/e ecosysteem onuitputtelijk
5
evaporatie + transpiratie
evapotranspiratie
6
watercyclus 1
stralingsenergie / zonlicht zorgt voor evapotranspiratie - verdamping van water / ° van waterdamp uit open water, bodem en vegetatie
7
watercyclus 2
waterdamp condenseert tot wolken -> wolken groeien + verplaatsen
8
watercyclus 3
wolken zijn verzadigd + te zwaar -> neerslag komt naar beneden
9
watercyclus 4
deel v/h water sijpelt i/d grond + deel v/h water gaat via rivieren, meren en grondwaterstromen naar de zee / het laagst gelegen punt
10
fotosynthese is belangrijk voor
zuurstofkringloop
11
opname van stoffen door de plant: water - koolstofdioxide - zonlicht
wortelhaartjes - huidmondjes (bladeren) - chlorofyl (valt op de chloroplasten)
12
chloroplasten (kenmerk)
alle groene delen van de plant bevatten deze - bevat chlorofyl
13
meeste energie van een plant wordt opgewekt
in de bladeren
14
fotosynthese vindt plaats in
planten, bacteriën en algen (fytoplankton)
15
glucose (verbindingen die worden gevormd bij fotosynthese) + gebruik van deze verbindingen
cellulose, zetmeel, eiwitten en vetten + als voedsel voor mensen en dieren
16
glucose (brutoformule)
C6H12O6
17
celademhaling dankzij
mitochondriën
18
organismen die zuurstof gebruiken bevatten
mitochondriën
19
glucose (verbindingen die gevormd worden bij celademhaling)
glycogeen, eiwitten en vetten
20
koolstofassimilatie (=)
fotosynthese
21
koolstofdissimilatie (=)
celademhaling
22
koolstof wordt vastgelegd in
glucose
23
koolstofkringloop 1
planten nemen CO2 op door fotosynthese
24
koolstofkringloop 2
glucose wordt omgezet in bouwstoffen: eiwitten, zetmeel en vetten (vormen de biomassa)
25
koolstofkringloop 3
mensen en dieren nemen de bouwstoffen op -> CO2 komt in hun lichaam terecht
26
koolstofkringloop 4
door celademhaling komt een deel van de CO2 terug vrij in de atmosfeer
27
koolstofkringloop 5
planten en dieren sterven -> resten op de grond worden opgenomen door reducenten (hierbij kom ook CO2 vrij)
28
koolstofkringloop 6
dode resten worden omgezet naar fossiele brandstoffen (anaeroob milieu)
29
oorzaken verstoring van de koolstofkringloop
te veel verbranding van fossiele brandstoffen - ontbossing
30
stikstof kan aanwezig zijn onder verschillende vormen
gas in de atmosfeer: stikstofgas (N2) 79% - opgelost in grondwater: nitraat (NO3-), nitriet (NO2-), ammonium (NH4+), ammoniak (NH3) - gebonden in organisch materiaal: eiwitten
31
stikstofgas uit de lucht
kan door de meeste organismen niet rechtstreeks worden opgenomen
32
micro-organismen (stikstofcyclus)
zetten stikstofgas uit de lucht om in ammonium en nitraationen zodat het de voedselkringloop binnen kan komen via planten
33
anaerobe bacteriën (stikstofkringloop: vb.)
bodem- en wortelknolbacteriën (peulvruchten)
34
stikstofgas tijdens onweer
bliksem leidt tot de reactie van stikstofgas met ozon om stikstofoxiden te vormen
35
stikstofoxiden bereiken de bodem (hoe)
ze worden door regenwater omgezet in nitraationen die via neerslag de bodem bereiken
36
belangrijkste bron van stikstofverbindingen voor de producenten
nitraationen, maar ook ammonium en ammoniak kunnen worden opgenomen
37
gebruik van stikstof door producenten
bij de synthese van organische verbindingen: plantaardige eiwitten
38
consumenten eten planten (gevolg)
zetten een deel om in dierlijke eiwitten - breken een deel af tot urine
39
urine bevat
ureum
40
reducenten bij ammonificatie (vb.)
rottings- en urobacteriën
41
hoeveel ammoniak en ammoniumionen nemen producenten op bij ammonificatie
slechts een klein beetje
42
deammonificatie via
anaerobe bacteriën
43
energie die vrijkomt bij deammonificatie
gebruikt door bodembacteriën voor hun metabolisme
44
stikstofkringloop sluit zich bij
deammonificatie en denitrificatie
45
nitrificatie via
aerobe bacteriën
46
denitrificatie = specifieke vorm van
stikstofdissimilatie
47
moleculen die stikstof en fosfor bevatten
nutriënten die onmiskenbaar zijn voor planten
48
verstoringen
nitraat- en fosfaatkringloop - luchtzuivering - ecosystemen door klimaatverandering - bodemvruchtbaarheid
49
fosfaten (PO4³-) en nitraten (NO3-)
uitstekende voedingsstoffen voor planten
50
waarom worden populaties in de poel niet erg groot
omdat fosfaten en nitraten schaars zijn
51
fosfaten (waar)
tal van detergenten
52
nitraten (waar)
in de landbouw in de vorm van meststoffen die aan akkers worden toegevoegd + uitstoot industrie
53
stikstofminnende planten (vb)
brandnetels, onkruid, braambesstruiken, algen
54
eutrofiërende stoffen (vb) (gevolg)
fosfaten en nitraten: te hoge concentratie hiervan leidt tot eutrofiëring
55
eutrofiëring kan zich al voordoen bij
relatief lage fosfaatconcentraties
56
fase 1 van de eutrofiëring
voedselverrijking
57
fase 1 van de eutrofiëring - 1
aantal algen en fotosynthetiserende micro-organismen stijgt
58
algen en fotosynthetiserende micro-organismen
produceren overdag zuurstof maar verbruiken het 's nachts ook
59
fase 1 van de eutrofiëring - 2
geen zonlicht meer dieper in het water -> enkel nog productie van zuurstofgas in de bovenste waterlagen = geen FS en O2 meer, enkel nog CO2
60
gevolg fase 1 van de eutrofiëring
aantal vissen neemt toe doordaat er meer voedsel is -> zuurstofschommeling: vissen sterven = meer organisch materiaal
61
oorzaak zuurstoftekort fase 1 van de eutrofiëring
aerobe reducenten breken organisch afval af
62
fase 2 van de eutrofiëring
anaerobiose
63
fase 2 van de eutrofiëring - 1
geen zuurtstofgas meer: anaerobiose
64
fase 2 van de eutrofiëring - 2
anaerobe reducenten nemen de taak van de aerobe reducenten over -> ° van giftige stoffen zoals ammoniak en nitriet
65
gevolg fase 2 van de eutrofiëring
vergiftiging van fauna en flora + verzuring van het water
66
atmosfeer (funtie)
beschermt het leven op aarde tegen schadelijk uv-straling - houdt de temp min of meer constant
67
neerslag (functie)
verwijdert stof uit de lucht
68
atmosfeer bestaat uit verschillende gassen
stikstofgas 78% - zuurstofgas 21% - koolstofdioxiode - argon - andere gassen
69
gemiddelde temp op aarde met atmosfeer
15°C
70
gemiddelde temp op aarde zonder atmosfeer
-18°C
71
broeikaseffect 1
zonnestraling komt de atmosfeer binnen
72
broeikaseffect 2
zonne-energie wordt door het aardoppervlak omgezet in warmte
73
broeikaseffect 3
de hittie wordt gedeeltelijk teruggekaatst in de atmosfeer
74
broeikaseffect 4
deel van de teruggekaatste hitte wordt tegengehouden door broeikasgassen
75
versterking van het broeikaseffect
door de uitstoot van CO2 en extra CH4 uitstoot
76
uitstoot CO2 door
verbranding van afval en fossiele brandstoffen
77
uitstoot CH4
afkomstig van veeteelt
78
versterking broeikaseffect leidt tot
klimaatverandering
79
klimaatverandering veroorzaakt schade aan
ecosystemen - biodiversiteit - alle subsystemen die daarvan afhankelijk zijn
80
subsystemen (vb)
landbouw, visserij, wereldeconomie
81
gevolgen van 1°C stijging
smelten van de Noordpool - wereldwijde aantasting koraalriffen - unieke ecosystemen en biodiversiteiten verdwijnen - dust bowl keert terug
82
gevolgen van 2°C stijging
ernstige hittegolven - verzuring van de oceanen
83
gevolg verzuring
bemoeilijk de vorming van kalkskeletten
84
verstoring van de ecosystemen door klimaatverandering
soorten moeten schuiven met hun ideale omstandigheden - interacties binnen ecosystemen raken in de war - verlies van biodiversiteit - verlies van natuur versterkt de klimaatopwarming
85
soorten moeten schuiven met hun ideale omstandigheden (door)
invasieve soorten
86
interactie binnen ecosystemen raken in de war (gevolg)
organismen gaan te vroeg uit hun winterslaap
87
verlies van biodiversiteit (gevolg)
organismen migreren naar plaatsen met betere omstandigheden
88
verlies van natuur versterkt de klimaatopwarming
bosbranden -> CO2 -> er zijn geen bomen meer die CO2 naar O2 kunnen omzetten -> klimaatverandering
89
verstoring van de bodemvruchtbaarheid
verzuring - vermesting - verharding - versnippering
90
3 soorten bodemvruchtbaarheid
chemisch - fysisch - biologisch
91
belangrijk bij de chemische bodemvruchtbaarheid
zuurtegraad
92
luchtigheid van de bodem wordt bepaald door
hoeveelheid water en zuurstofgas de plantenwortels kunnen bereiken + doordringbaarheid van de bodem is hiervan afhankelijk
93
wat verhoogt de fysische bodemvruchtbaarheid
orgaismen die gangen graven
94
bodemvruchtbaarheid wordt bedreigt als
chemische, fysische en biologische factoren ingrijpend wijzigen
95
ontstaan zure regen
door de productie van ammoniak, zwaveloxiden en stikstofoxiden door de industrie, landbouw en het verkeer
96
zure regen (gevolg)
tast planten en de bodem waarin ze groeien aan
97
stoffen die zuren neutraliseren (+ werken als)
kalk, mineralen, humus, aluminium- en ijzeroxiden - buffer
98
verzuring komt voor als
er teveel zuur in de bodem aanwezig is en de buffer niet meer werkt
99
gevolgen verzuring van de bodem
bomen en planten: vinden de juiste voedingsstoffen niet meer -> vatbaar voor ziekten - kunnen de aanwezige voedingsstoffen moeilijker opnemen - giftige metalen komen vrij
100
giftige metalen die vrijkomen bij verzuring
spoelen uit naar het grond- en oppervlaktewater
101
vermesting: de begroeiing vormt een
eenvormige massa stikstofminnende planten
102
oplossing vermesting
mestactieplan
103
maatregelen verzuring en vermesting
verminderen uitstoot van stikstofdioxiden door de industrie, verkeer + uitstoot ammoniak en fosfaat door de landbouw
104
gevolgen van verharding
overstromingen - versnippering van habitats - overbelasting van de resterende vrije bodem
105
vrije bodems voorkomen dat
alle neerslag snel in het oppervlaktewater terechtkomt
106
verharde omgeving (kenmerk)
warmer omdat er geen bomen zijn die voor verdamping zorgen: daarom is het in een bos kouder
107
resterende vrije bodems gebruikt als
landbouwgrond
108
landbouwgrond (kenmerk)
gevoelig voor erosie omdat er weinig planten zijn
109
wortels van planten
houden de bodem vast zodat deze minder snel wegspoelt als het regent
110
wegen
isoleren populaties en maken genetische uitwisseling onmogelijk
111
kleiner natuurgebied =
gevoeliger voor verstoringen
112
gevolg versnippering
populaties uit de ene biotoop kunnen het verlies in de andere biotoop niet meer aanvullen - biodiversiteit neemt af
Study all 112 cards for free