1kenmerken protisten
leven in een vochtig milieu - vrijlevend / parasitair
2protisten onderverdeeld op basis van
beweeglijkheid + auto- / heterotroof
3protozoa (voorbeelden)
pantoffeldiertje, euglena, amoebe
4korstmos
symbiose tussen een schimmel en een algensoort
5samenstelling pantoffeldiertje: cel
omgeven door een complex celmembraan
6pantoffeldiertje: celmembraan
geeft het diertje zijn specifieke vorm + biedt bescherming
7samenstelling pantoffeldiertje: trilharen / cilia
over de volledige oppervlakte van het pantoffeldiertje ingeplant
8voortbeweging pantoffeldiertje
trilharen / cilia
9beweging van de trilharen
er staan veel trilharen naast elkaar: de beweging verplaatst zich als een soort wave
10snelheid pantoffeldiertje
1,2 mm per seconde
11functie orale groeve
pantoffeldiertje kan zich voeden
12voedseldeeltjes komen in de celslokdarm terecht
via de orale groeve: trilharen langs de groeve creëren een inwaartse stroom
13opname van voedseldeeltjes (aan het einde van de celslokdarm)
door fagocytose: er ontstaan een voedselvacuole
14functie kloppende vacuole
zorgen dat de cel niet barst
15pantoffeldiertje: kenmerk kloppende vacuole
2
16vorm kloppende vacuole
stervormig
17samenstelling pantoffeldiertje: celkern
2: micronucleus - macranucleus
18voortplanting pantoffeldiertje
geslachtelijke en ongeslachtelijk
19pantoffeldiertje: geslachtelijke voortplanting
genetisch materiaal van 2 organismen wordt gemengd -> ontstaan variaties tussen organismen, maken gebruik van conjugatie
20pantoffeldiertje: ongeslachtelijke voortplanting
celsplitsing; dochtercellen en oorspronkelijke moedercel bezitten identiek erfelijk materiaal
21voortbeweging euglena
zweepstaart
22samenstelling euglena: fotoreceptor
bevindt zich aan de basis van de flagel
23samenstelling euglena: rode oogvlek
bevindt zich net onder de fotoreceptor: binnen het celmembraan
24oogdiertje neemt licht waar: gevolg
beweegt naar het licht toe
25voeding euglena in aanwezigheid van licht
autotroof: doet aan fotosynthese dankzij bladgroenkorrels
26voeding euglena in afwezigheid van licht
voedsel opnemen via fagocytose
27euglena kan zuurtstofgas produceren
dankzij gekleurde oogvlek, fotoreceptor en chloroplasten
28voortplanting euglena
ongeslachtelijk: celdeling
29ideale omgeving voor amoebe
vochtige plaatsen die bacteriën en organisch materiaal bevatten
30voortbeweging amoebe
door het uitsteken of intrekken van de schijnvoetjes
31voeding amoebe
heterotroof: voedseldeeltjes opnemen via fagocytose -> er ontstaat een voedselvacuole
32voortplanting amoebe
ongeslachtelijj: celsplitsing
33gemeenschappelijke onderdelen van de 3 protozoa
celmembraan - kloppende vacuole - celkern - geen celwand
34gemeenschappelijk onderdeel amoebe en pantoffeldiertje
voedselvacuole
35verschillende onderdelen: pantoffeldiertje
trilharen / cilia - orale groeve - celanus
36verschillende onderdelen: euglena
zweepstaart / flagel - bladgroenkorrels - oogvlek - oogreceptor
37verschillende onderdelen: amoebe
schijnvoetjes / pseudopodia
38positieve rol van protozoa
detrivoren - voedsel voor grotere organismen - opruimers = van ecologisch belang
39negatieve invloed van protozoa
parasieten - pathogeen
40parasieten
overleven ten koste van een ander organisme
41toxoplasmose
schadelijk voor het ongebore kind: zwangere vrouwen mogen geen rauw vlees + uit de buurt van katten blijven
42toxoplasmose (soort dieren waarin het voorkomt)
warmbloedige
43malaria voorkomen
subtropische gebieden (warm + vochtig)
44malaria krijg je door
muggen die de parasiet dragen
45levenscyclus malaria: 1
overdracht op de mens
46levenscyclus malaria: 2
sporozoïeten dringen de lever binnen + infecteren de levercellen
47levenscyclus malaria: 3
levercellen barsten open -> symptomen verschijnen
48levenscyclus malaria: 4
parasiet groeit in de rode bloedcellen
49levenscyclus malaria: 5
geslachtelijke voortplanting
50levenscyclus malaria: 6
overdracht op de mug: mug besmet door het bloed van de mens
51malaria: hoofdgastheer - tussengastheer
mug - mens
52voortplanting van de parasiet bij malaria: bij de mens - bij de mug
ongeslachtelijk in de lever + rode bloedcellen - geslachtelijk ter hoogte van de speekselklier
53macro-algen
hogere wieren; meercellig
54verschil protozoa en micro-algenma
nier waarop ze zich voeden
552 groepen micro-algen
groenwieren - kiezelwieren
56positieve invloed van groenwieren
hoge groeisnelheid - laag vezelgehalte - fytoplankton - groeit op onvruchtbare plaatsen - grondstof voor biodiesel - niet afhankelijk van zoetwatervoorraden - verliezen bijna geen stikstof
57groenwieren: hoge groeisnelheid
kunnen zich gemakkelijk geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanten
58groenwieren: laag vezelgehalte
rijk aan eiwitten en omega-3-vetzuren = voedzaam + wordt bijna volledig verteerd en verbruikt
59celwand van een plant = cellulose -> hoog vezelgehalte goed voor
stoelgang + verzadigd gevoel
60fytoplankton
verantwoordelijk voor het grootste deel van de O2 productie op aarde + opname van CO2 uit de lucht
61maken deel uit van fytoplankton
groenwieren + cyanobacteriën
62groenwieren: grondstof voor biodiesel
wetenschappers winnen vetten uit groenwieren
63groenwieren: niet afhankelijk van zoetwatervoorrraden
groeien in zeewater
64groenwieren: verliezen bijna geen stikstof
minder bemesting nodig
65negatieve invloedvan groewieren
anaerobiose
66kenmerk celwand van kiezelwieren (uit siliciumdioxide)
complex gevormde, symmetrische structuren vertonen een grote variatie in morfologie - belangrijke rol in taxonomie en identificatie
67functies van diatomeeën
opslaanvan overtollige energie - filter-, absorptiemateriaal en milieuvriendelijk insecticide - medelorganisme in de ecologie - schuurmiddel
68diatomeeën: opslaan van overtollige energie
in de vorm van vetoliën -> dichtheid olie < dichtheid water: blijven in de bovenste waterlagen: voldoende licht om aan fotosynthese te doen
69diatomeeën: filter-, absorptiemateriaal en milieuvriendelijke insecticide
siliciumrijke wand zinkt naar de bodem na het afsterven waardoor diatomeeën aarde gevormd kan worden dat gebruikt wordt als filter-, absorptiemateriaal en milieuvriendelijke insecticide
70kenmerk diatomeeën
goede milieu-indicatoren + reageren snel op milieuveranderingen