Fortuna deel 1 Seb

942 flashcardsby sebastiaan
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

First 300 of 942 cards

1
est
(hij) is
2
hic, haec, hoc
deze / dit
3
invado, invasi (invadere)
binnenvallen, aanvallen
4
deus
god
5
curia
senaatsgebouw
6
summus, summa, summum
grootste, hoogste
7
et
en, ook
8
haud
(helemaal) niet
9
notus, nota, notum
bekend
10
restituo, restitui (restituere)
herstellen
11
iste, ista, istud
die, dat
12
dominus
heer, heerser
13
vinco, vici (vincĕre)
overwinnen, overtreffen
14
navis, navis (vrl.)
schip
15
pater, patrem
vader
16
dea
godin
17
rumor, rumoris (mnl)
gerucht, gepraat
18
decet
het past
19
regina
koningin
20
copia
voorraad, overvloed
21
solus, solius
alleen, (als) enige
22
totus, totius
(ge)hele
23
mater, matrem
moeder
24
copiae (mv.)
legermacht
25
pauci (mv.)
weinige(n), enkele(n)
26
unus, unius
één, (als) enige, alleen
27
filius
zoon
28
filia
dochter
29
supersum, superfui (superesse)
over zijn, overblijven
30
liberi, liberorum (mv.)
kinderen
31
non
niet
32
aut
of
33
doceo, docui (docēre)
onderwijzen, leren
34
constat + A.c.I.
het staat vast dat
35
sed
maar
36
captivus
krijgsgevangene, gevangen
37
quoque
ook
38
interrogo (interrogare)
ondervragen
39
is, ea, id
1. hij, zij, het 2. deze/dit; die/dat
40
soror, sororem
zuster
41
ille, illa, illud
Die/dat, deze/dit, Hij, zij, het
42
idem, eadem, idem
dezelfde, hetzelfde
43
mos, moris (mnl.)
gewoonte, gebruik
44
gaudeo (gaudēre)
blij zijn, zich verheugen over
45
sedet
(hij) zit
46
in templo
in de tempel
47
doleo, dolui (dolēre)
pijn / verdriet hebben, treuren (om)
48
mores (mv.)
karakter, levenswijze, gedrag
49
habet
(hij) heeft, houdt
50
quisque
ieder
51
exemplum
voorbeeld
52
praebeo, praebui (praebēre)
verschaffen, aanbieden
53
et ... et
en ... en
54
uxor, uxorem
vrouw, echtgenote
55
populus
volk
56
gaudium
vreugde
57
quondam
eens
58
servat
(hij) beschermt, bewaart, behoudt
59
ipse, ipsa, ipsum
zelf, juist, precies
60
amica
vriendin
61
etiam
ook, zelfs
62
conspectus
(aan)blik, (uit)zicht
63
dum + conj.
totdat
64
dum + ind.
terwijl
65
cum + conj.
1. toen, nadat 2. omdat 3. hoewel
66
timet
(hij) vreest, is bang (voor)
67
nam
want
68
cum + ind.
1. wanneer 2. toen
69
felix, felicis
1. gelukkig, gezegend 2. voorspoedig
70
mittit
(hij) zendt, stuurt
71
ut + conj.
1. (op)dat, om te 2. (zo)dat
72
carus, cara, carum
dierbaar, geliefd
73
defendit
(hij) verdedigt, beschermt
74
ut + ind.
1. (zo)als 2. zodra (als)
75
postremo (bijw.)
tenslotte
76
modus
wijze, manier
77
in Italia
in Italië
78
exercitus
leger
79
regnat
(hij) heerst, regeert
80
induco, induxi (inducĕre)
1. brengen naar 2. brengen tot, verleiden tot
81
fatum
(nood)lot
82
seape
vaak, dikwijls
83
tunc (bijw.)
toen, dan
84
qui, quae, quod
die/dat, wie/wat
85
bellum
oorlog
86
ara
altaar
87
premo, premere, pressi
1. drukken 2. in moeilijkheden brengen, in het nauw brengen
88
hinc
van hier, hier vandaan
89
adduco, adduxi (adducĕre)
brengen naar/in
90
amat
(hij) houdt van
91
relinquit
(hij) verlaat, laat achter
92
aetas, aetatis (vrl.)
leeftijd, leven, tijd
93
villa
landhuis
94
pervenit
(hij) komt aan, bereikt
95
insula
eiland
96
equus
paard
97
deleo, delere
vernietigen, verwoesten
98
sub + abl.
onder
99
amor, amorem
liefde
100
vincit
(hij) overwint
101
imperium
1. macht 2. rijk
102
regio, regionis (vrl.)
streek, gebied
103
urbs, urbem
stad
104
fraus, fraudis (vrl.)
bedrog
105
quattuor
(onverbuigbaar) vier
106
templum
tempel
107
iuro (iurare)
zweren
108
rapio, rapui, rapere
grijpen, roven, meesleuren
109
exeo, exii (exire)
uitgaan, weggaan
110
numquam
nooit
111
habitat
(hij) (be)woont
112
ignis, ignem
vuur
113
amicitia
vriendschap
114
pro + abl
1. voor, ter verdediging van 2. in plaats van, in ruil voor
115
semper
altijd
116
vita
leven
117
somnium
droom
118
curat
(hij) zorgt voor, verzorgt
119
maneo, mansi (manēre)
blijven, wachten (op)
120
pereo, perii (perire)
omkomen, te gronde gaan
121
plebs, plebem (vrl)
volk
122
fatigatus, fatigata, fatigatum
vermoeid
123
rex, regem
koning
124
mors, mortem
(de) dood
125
terror, terroris (mnl.)
angst
126
adeo, adii (adire)
gaan naar, komen naar
127
regnum
heerschappij
128
agmen, agminis (onz.)
stoet, kolonne
129
socius
1. bondgenoot 2. makker
130
vir, virum
man
131
incedo, incessi (incedĕre)
1. voortgaan 2. binnengaan
132
dubito (dubitare)
aarzelen
133
intereo, interii (interire)
sterven
134
ne + conj.
(op)dat niet, om niet te, om te voorkomen dat
135
bonus, bona, bonum
goed
136
malus, mala, malum
slecht
137
moenia, moeniorum (onz. mv.)
(stads)muren
138
sui (mv.)
de zijnen (hunnen), zijn (hun) verwanten, zijn (hun) aanhangers
139
frater, fratrem
broer
140
inde
1. daarvandaan 2. daarna
141
occupo (occupare)
bezetten, in bezit nemen
142
necat
(hij) doodt
143
iter, itineris (onz.)
1. weg 2. reis, mars
144
inimicus
1. vijandig 2. vijand
145
eco, ii (ire)
gaan, komen
146
multo (bijw.)
veel
147
nunc
nu
148
novus, nova, novum
nieuw
149
tam
zo
150
prius (bijw.)
1. eerder, vroeger, eerst 2. liever
151
pulcher, pulchra, pulchrum
mooi
152
praeceps, praecipitis
1. hals over kop, snel 2. steil
153
puella
meisje
154
angustus, angusta, angustum
1. nauw, eng 2. beperkt
155
in (+ acc)
naar, naar binnen
156
cado, cecidi (cadĕre)
vallen
157
ducit
(hij) leidt, brengt
158
aegre (bijw.)
met moeite
159
facit
(hij) maakt
160
arbor, arboris (vrl.)
boom
161
laetus, laeta, laetum
blij
162
caedo, cecidi (caedĕre)
vellen, doden
163
apud (+ acc)
bij
164
lignum
hout
165
silva
bos
166
infundo, infudi (infundĕre) +acc.
gieten op/in
167
fundo, fudi (fundĕre)
gieten
168
magnus, magna, magnum
groot
169
obscurus, obscura, obscurum
donker, duister
170
ferrum
1. ijzer 2. zwaard
171
fluvius
rivier
172
descendo, descendi (descendĕre)
afdalen
173
parvus, parva, parvum
klein
174
occasio, occasionis (vrl.)
gelegenheid
175
ambulat
(hij) wandelt
176
victoria
overwinning
177
ad (+ acc.)
naar, bij, tot
178
opus, operis (onz.)
werk
179
aqua
water
180
parco, peperci (parcĕre) + dat.
sparen
181
subito (bijw.)
plotseling
182
tumultus
rumoer, oproer
183
videt
(hij) ziet
184
scribo, scripsi (scribĕre)
schrijven
185
cupit
(hij) verlangt (naar), (hij) begeert
186
bona, bonorum (onz. mv.)
goederen, bezittingen
187
valde (bijw.)
erg, zeer
188
quaero, quaesivi (quaerĕre) + ab/ex + abl.
vragen aan
189
intentus, intenta, intentum
(in)gespannen, in gespannen verwachting, oplettend
190
lacrimat
(hij) huilt
191
clarus, clara, clarum
helder, beroemd
192
turbo (turbare)
in verwarring brengen, verwarren
193
gloria
roem
194
accido, accidi (accidĕre)
gebeuren
195
deinde
daarna, vervolgens
196
studium
1. ijver 2. studie
197
non iam
niet meer
198
factum
1. feit 2. daad
199
morbus
ziekte
200
doctus, docta, doctum
geleerd
201
verus, vera, verum
echt, waar
202
septem (onverbuigbaar)
zeven
203
causa
reden, oorzaak
204
exitus
1. uitgang 2. afloop, einde
205
cognoscit
(hij) leert kennen, verneemt
206
ne + conj.
1. (op)dat niet, om niet te, om te voorkomen dat 2. dat, om te (na werkwoorden van vrezen en verhinderen)
207
iratus, irata, iratum
boos
208
interficio, interfeci (interficĕre)
doden
209
cogitat
(hij) denkt (aan), overweegt
210
legatus
1. gezant 2. onderbevelhebber
211
impedio (impedire)
verhinderen
212
miser, misera, miserum
ongelukkig
213
solus, sola, solum
alleen, (als) enige
214
plurimi (mv.)
de meeste(n), zeer vele(n)
215
timidus, timida, timidum
bang
216
impero (imperare) + dat.
bevelen
217
ubi?
waar?
218
circum (soms + acc.)
rondom
219
sunt
(zij) zijn
220
sibi (dat.)
aan hem/haar/hen (dat. van se)
221
filii (nom.mv.)
zonen
222
undique
van alle kanten
223
aedificium
gebouw
224
quis?
wie?
225
meus, mea, meum
mijn
226
libero (liberare) ab + abl.
bevrijden van
227
duo
twee
228
cura
zorg
229
iacent
(zij) liggen
230
quoniam
aangezien, omdat
231
amittĕre (infinitivus)
verliezen
232
ius, iuris (onz.)
recht
233
vult
(hij) wil
234
ergo (bijw.)
dus
235
fratres (nom./acc. mv.)
broers
236
venit
(hij) komt
237
bibĕre (infinitivus)
drinken
238
audit
(hij) hoort
239
tum (bijw.)
toen, dan
240
periculum
gevaar
241
invenit
(hij) vindt
242
portat
(hij) draagt
243
eius
1. van hem, zijn
2. (van) haar
3. van het, zijn, ervan
244
vivunt
(zij) leven
245
tempus (nom./acc. onz.)
tijd
246
cognoscĕre (infinitivus)
leren kennen, vernemen
247
dicit
(hij) zegt
248
vester, vestra, vestrum
(van) jullie
249
tristis, triste
droevig, bedroefd
250
enim
want, namelijk, immers
251
fortis, forte
dapper, sterk
252
incolumis, incolume
ongedeerd
253
consilium
plan, besluit
254
capiunt
(zij) pakken, (zij) nemen
255
faciunt
1. (zij) maken
2. (zij) doen
256
crudelis, crudele
wreed
257
salutant
(zij) begroeten (als)
258
gaudent
(zij) zijn blij
259
habitare (infinitus)
(be)wonen
260
volunt
(zij) willen
261
ubi
1. waar?
2. waar (betr. vnw. van plaats)
262
locus
plaats
263
omnis, omne
1. geheel
2. ieder, elk
264
omnes (nom./acc. mv.)
alle(n)
265
incipiunt
(zij) beginnen
266
amicus (mv. amici)
vriend
267
esse (infinitivus)
(te) zijn
268
circa (+ acc)
rondom, om ... heen
269
nondum
nog niet
270
altus, alta, altum
hoog, diep
271
super (+ acc)
boven(op), over
272
terret
(hij) maakt bang, (hij) verschrikt
273
sic
zo
274
ita
zo
275
nomen (nom./acc. onz.)
naam
276
immortalis, immortale
onsterfelijk
277
Romanus
1. Romein 2. Romeins
278
autem
maar, echter
279
contentus, contenta, contentum
tevreden
280
quia
omdat
281
femina
vrouw
282
gens, gentem
volk
283
dant
(zij) geven
284
terribilis, terribile
verschrikkelijk
285
itaque
daarom
286
parat
(hij) bereidt voor, (hij) maakt gereed
287
multus, multa, multum
veel
288
homo, hominem
1. mens 2. man
289
invitat
(hij) nodigt uit
290
conveniunt
(zij) komen samen
291
iam
al, reeds
292
iuvenis, iuvenem
jongeman
293
rapiunt
(zij) grijpen, (zij) roven
294
domus
huis
295
parentes (nom./acc. mv.)
ouders
296
finis, finem
einde
297
postea (bijw.)
daarna, later
298
perdit
1. (hij) richt te gronde 2. (hij) verliest
299
post + acc.
na
300
miles, militem
soldaat

642 more cards in OutLearn. Open the full deck

Study all 942 cards for free