2hic, haec, hoc
deze / dit
3invado, invasi (invadere)
binnenvallen, aanvallen
6summus, summa, summum
grootste, hoogste
9notus, nota, notum
bekend
10restituo, restitui (restituere)
herstellen
11iste, ista, istud
die, dat
13vinco, vici (vincĕre)
overwinnen, overtreffen
14navis, navis (vrl.)
schip
17rumor, rumoris (mnl)
gerucht, gepraat
20copia
voorraad, overvloed
21solus, solius
alleen, (als) enige
25pauci (mv.)
weinige(n), enkele(n)
26unus, unius
één, (als) enige, alleen
29supersum, superfui (superesse)
over zijn, overblijven
30liberi, liberorum (mv.)
kinderen
33doceo, docui (docēre)
onderwijzen, leren
34constat + A.c.I.
het staat vast dat
36captivus
krijgsgevangene, gevangen
38interrogo (interrogare)
ondervragen
39is, ea, id
1. hij, zij, het 2. deze/dit; die/dat
41ille, illa, illud
Die/dat, deze/dit, Hij, zij, het
42idem, eadem, idem
dezelfde, hetzelfde
43mos, moris (mnl.)
gewoonte, gebruik
44gaudeo (gaudēre)
blij zijn, zich verheugen over
47doleo, dolui (dolēre)
pijn / verdriet hebben, treuren (om)
48mores (mv.)
karakter, levenswijze, gedrag
49habet
(hij) heeft, houdt
52praebeo, praebui (praebēre)
verschaffen, aanbieden
54uxor, uxorem
vrouw, echtgenote
58servat
(hij) beschermt, bewaart, behoudt
59ipse, ipsa, ipsum
zelf, juist, precies
62conspectus
(aan)blik, (uit)zicht
65cum + conj.
1. toen, nadat 2. omdat 3. hoewel
66timet
(hij) vreest, is bang (voor)
68cum + ind.
1. wanneer 2. toen
69felix, felicis
1. gelukkig, gezegend 2. voorspoedig
70mittit
(hij) zendt, stuurt
71ut + conj.
1. (op)dat, om te 2. (zo)dat
72carus, cara, carum
dierbaar, geliefd
73defendit
(hij) verdedigt, beschermt
74ut + ind.
1. (zo)als 2. zodra (als)
75postremo (bijw.)
tenslotte
79regnat
(hij) heerst, regeert
80induco, induxi (inducĕre)
1. brengen naar 2. brengen tot, verleiden tot
84qui, quae, quod
die/dat, wie/wat
87premo, premere, pressi
1. drukken 2. in moeilijkheden brengen, in het nauw brengen
88hinc
van hier, hier vandaan
89adduco, adduxi (adducĕre)
brengen naar/in
91relinquit
(hij) verlaat, laat achter
92aetas, aetatis (vrl.)
leeftijd, leven, tijd
94pervenit
(hij) komt aan, bereikt
97deleo, delere
vernietigen, verwoesten
101imperium
1. macht 2. rijk
102regio, regionis (vrl.)
streek, gebied
104fraus, fraudis (vrl.)
bedrog
105quattuor
(onverbuigbaar) vier
108rapio, rapui, rapere
grijpen, roven, meesleuren
109exeo, exii (exire)
uitgaan, weggaan
111habitat
(hij) (be)woont
114pro + abl
1. voor, ter verdediging van 2. in plaats van, in ruil voor
118curat
(hij) zorgt voor, verzorgt
119maneo, mansi (manēre)
blijven, wachten (op)
120pereo, perii (perire)
omkomen, te gronde gaan
121plebs, plebem (vrl)
volk
122fatigatus, fatigata, fatigatum
vermoeid
125terror, terroris (mnl.)
angst
126adeo, adii (adire)
gaan naar, komen naar
128agmen, agminis (onz.)
stoet, kolonne
129socius
1. bondgenoot 2. makker
131incedo, incessi (incedĕre)
1. voortgaan 2. binnengaan
132dubito (dubitare)
aarzelen
133intereo, interii (interire)
sterven
134ne + conj.
(op)dat niet, om niet te, om te voorkomen dat
135bonus, bona, bonum
goed
136malus, mala, malum
slecht
137moenia, moeniorum (onz. mv.)
(stads)muren
138sui (mv.)
de zijnen (hunnen), zijn (hun) verwanten, zijn (hun) aanhangers
140inde
1. daarvandaan 2. daarna
141occupo (occupare)
bezetten, in bezit nemen
143iter, itineris (onz.)
1. weg 2. reis, mars
144inimicus
1. vijandig 2. vijand
145eco, ii (ire)
gaan, komen
148novus, nova, novum
nieuw
150prius (bijw.)
1. eerder, vroeger, eerst 2. liever
151pulcher, pulchra, pulchrum
mooi
152praeceps, praecipitis
1. hals over kop, snel 2. steil
154angustus, angusta, angustum
1. nauw, eng 2. beperkt
155in (+ acc)
naar, naar binnen
156cado, cecidi (cadĕre)
vallen
157ducit
(hij) leidt, brengt
158aegre (bijw.)
met moeite
160arbor, arboris (vrl.)
boom
161laetus, laeta, laetum
blij
162caedo, cecidi (caedĕre)
vellen, doden
166infundo, infudi (infundĕre) +acc.
gieten op/in
167fundo, fudi (fundĕre)
gieten
168magnus, magna, magnum
groot
169obscurus, obscura, obscurum
donker, duister
170ferrum
1. ijzer 2. zwaard
172descendo, descendi (descendĕre)
afdalen
173parvus, parva, parvum
klein
174occasio, occasionis (vrl.)
gelegenheid
177ad (+ acc.)
naar, bij, tot
178opus, operis (onz.)
werk
180parco, peperci (parcĕre) + dat.
sparen
181subito (bijw.)
plotseling
182tumultus
rumoer, oproer
184scribo, scripsi (scribĕre)
schrijven
185cupit
(hij) verlangt (naar), (hij) begeert
186bona, bonorum (onz. mv.)
goederen, bezittingen
187valde (bijw.)
erg, zeer
188quaero, quaesivi (quaerĕre) + ab/ex + abl.
vragen aan
189intentus, intenta, intentum
(in)gespannen, in gespannen verwachting, oplettend
191clarus, clara, clarum
helder, beroemd
192turbo (turbare)
in verwarring brengen, verwarren
194accido, accidi (accidĕre)
gebeuren
195deinde
daarna, vervolgens
196studium
1. ijver 2. studie
200doctus, docta, doctum
geleerd
201verus, vera, verum
echt, waar
202septem (onverbuigbaar)
zeven
204exitus
1. uitgang 2. afloop, einde
205cognoscit
(hij) leert kennen, verneemt
206ne + conj.
1. (op)dat niet, om niet te, om te voorkomen dat 2. dat, om te (na werkwoorden van vrezen en verhinderen)
207iratus, irata, iratum
boos
208interficio, interfeci (interficĕre)
doden
209cogitat
(hij) denkt (aan), overweegt
210legatus
1. gezant 2. onderbevelhebber
211impedio (impedire)
verhinderen
212miser, misera, miserum
ongelukkig
213solus, sola, solum
alleen, (als) enige
214plurimi (mv.)
de meeste(n), zeer vele(n)
215timidus, timida, timidum
bang
216impero (imperare) + dat.
bevelen
218circum (soms + acc.)
rondom
220sibi (dat.)
aan hem/haar/hen (dat. van se)
222undique
van alle kanten
226libero (liberare) ab + abl.
bevrijden van
230quoniam
aangezien, omdat
231amittĕre (infinitivus)
verliezen
232ius, iuris (onz.)
recht
235fratres (nom./acc. mv.)
broers
237bibĕre (infinitivus)
drinken
243eius
1. van hem, zijn
2. (van) haar
3. van het, zijn, ervan
245tempus (nom./acc. onz.)
tijd
246cognoscĕre (infinitivus)
leren kennen, vernemen
248vester, vestra, vestrum
(van) jullie
249tristis, triste
droevig, bedroefd
250enim
want, namelijk, immers
251fortis, forte
dapper, sterk
252incolumis, incolume
ongedeerd
253consilium
plan, besluit
254capiunt
(zij) pakken, (zij) nemen
255faciunt
1. (zij) maken
2. (zij) doen
256crudelis, crudele
wreed
257salutant
(zij) begroeten (als)
258gaudent
(zij) zijn blij
259habitare (infinitus)
(be)wonen
261ubi
1. waar?
2. waar (betr. vnw. van plaats)
263omnis, omne
1. geheel
2. ieder, elk
264omnes (nom./acc. mv.)
alle(n)
265incipiunt
(zij) beginnen
266amicus (mv. amici)
vriend
267esse (infinitivus)
(te) zijn
268circa (+ acc)
rondom, om ... heen
270altus, alta, altum
hoog, diep
271super (+ acc)
boven(op), over
272terret
(hij) maakt bang, (hij) verschrikt
275nomen (nom./acc. onz.)
naam
276immortalis, immortale
onsterfelijk
277Romanus
1. Romein 2. Romeins
279contentus, contenta, contentum
tevreden
284terribilis, terribile
verschrikkelijk
286parat
(hij) bereidt voor, (hij) maakt gereed
287multus, multa, multum
veel
288homo, hominem
1. mens 2. man
289invitat
(hij) nodigt uit
290conveniunt
(zij) komen samen
292iuvenis, iuvenem
jongeman
293rapiunt
(zij) grijpen, (zij) roven
295parentes (nom./acc. mv.)
ouders
297postea (bijw.)
daarna, later
298perdit
1. (hij) richt te gronde 2. (hij) verliest