11
uxor, uxorem
vrouw, echtgenote
18sedet
(hij, zij, het) zit
19amat
(hij, zij, het) houdt van
22servat
(hij, zij, het) beschermt, bewaart, behoudt
23timet
(hij, zij, het) vreest, is bang (voor)
26habet
(hij, zij, het) heeft, houdt
28mittit
(hij, zij, het) zendt, stuurt
29defendit
(hij, zij, het) verdedigt, beschermt
30regnat
(hij, zij, het) heerst, regeert
32vincit
(hij, zij, het) overwint
33relinquit
(hij, zij, het) verlaat, laat achter
34habitat
(hij, zij, het) (be)woont
35curat
(hij, zij, het) zorgt voor, verzorgt
36pervenit
(hij, zij, het) komt aan, bereikt