LATIJN LES 3

40 flashcardsby Sabrina
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
dea
godin
2
filia
dochter
3
non
niet
4
mater, matrem
moeder
5
est
(hij, zij, het) is
6
dominus
heer, heerser
7
deus

god
8
soror, sororem

zuster
9
pater, patrem
vader
10
et
1. en 2. ook
11

uxor, uxorem
vrouw, echtgenote
12
filius
zoon
13

sed
maar
14
quoque
ook
15
regina
koningin
16
etiam
ook, zelfs
17
populus
volk
18
sedet
(hij, zij, het) zit
19
amat
(hij, zij, het) houdt van
20
in templo
in de tempel
21
nam
want
22
servat
(hij, zij, het) beschermt, bewaart, behoudt
23
timet
(hij, zij, het) vreest, is bang (voor)
24
in Italia
in Italië
25
saepe
vaak, dikwijls
26
habet
(hij, zij, het) heeft, houdt
27
bellum
oorlog
28
mittit
(hij, zij, het) zendt, stuurt
29
defendit
(hij, zij, het) verdedigt, beschermt
30
regnat
(hij, zij, het) heerst, regeert
31
ignis, ignem
vuur
32
vincit
(hij, zij, het) overwint
33
relinquit
(hij, zij, het) verlaat, laat achter
34
habitat
(hij, zij, het) (be)woont
35
curat
(hij, zij, het) zorgt voor, verzorgt
36
pervenit
(hij, zij, het) komt aan, bereikt
37
templum
tempel
38
urbs, urbem
stad
39
semper
altijd
40
amor, amorem
liefde
Study all 40 cards for free