2αλλα (gebiedende wijs)
maar (kom)
3ελαυνω
1. (voort)drijven 2. optrekken, marcheren
5ελπιζω (+inf)
hopen, verwachten (te)
6πιστος
trouw, betrouwbaar
8η πολις (acc. πολιν)
stad
9η χειρ (χειρος, dat. mv. χερσι)
hand, arm
12προτερον
eerder (bijwoord)
14αρχω + gen.
1. leiden 2. heersen over
15ισως
misschien, waarschijnlijk (bijwoord)
17κατα + gen.
vanaf .... naar beneden
18κλα(ι)ω
huilen, wenen (om)
21μανθανω
leren kennen, begrijpen, vernemen
24προτερος
eerder, vroeger
25τικτω
baren, ter wereld brengen
27μεγα
erg, zeer (bijwoord)