3sedet
(hij, zij, het) zit
4amat
(hij, zij, het) houdt van
7servat
(hij, zij, het) beschermt, bewaart, behoudt
8timet
(hij, zij, het) vreest, is bang (voor)
11habet
(hij, zij, het) heeft, houdt
13mittit
(hij, zij, het) zendt, stuurt
14defendit
(hij, zij, het) verdedigt, beschermt
15regnat
(hij, zij, het) heerst, regeert