1κελεύω + acc. + inf.
bevelen, verzoeken, vragen om
4μου, ἐμοῦ
(van) mij, mijn
6αἴτιος + gen.
verantwoordelijk voor, schuldig aan
7ἐγείρω
(op)wekken, wakker maken
9κατέχω, aor. κατέσχον
in zijn macht hebben, vasthouden, beheersen
10μετέχω + gen.
deelhebben aan, deelnemen aan
12τυγχάνω + gen., aor. ἔτυχον
1. treffen
2. krijgen
13φροντίζω + gen.
zich bekommeren om
14συμφορά, ἡ
1. gebeurtenis
2. ongeluk