1een zekering (smeltveiligheid)
un fusible
2iemand die goed is in wiskunde of student wiskunde
un matheux (une matheuse)
4kledingstukken (een kledingstuk, fam.)
fringues (une fringue)
5een vitrine, een façade
une devanture
7naastgelegen (aangelegen)
adjacente
8een beuk (beukenboom)
un hêtre
9schrijlings (gaan) zitten op...
s'asseoir à califourchon sur...
10kwetsen (ook: verfrommelen)
froisser
11een schuim (op een vloeistof, of op de zee)
une écume
12slenteren
errer (déambuler)
13de (boen)was
l'encaustique (n.f.) (la cire)
14plotseling binnen komen vallen
débouler
15met pek en veren
avec du goudron et des plumes
16het gehemelte (verhemelte)
le palais
19het hoofd schudden (knikkebollen), wiegen
dodeliner (dodeliner de la tête)
20de tribune (de verhoging of trede van een tribune of amfitheater)
les gradins (le gradin)
21mediterraanse vegetatie (biotoop, voornamelijk lagere struiken, plus olijfachtige, oleander etc)
la garrigue
22andere mediterraanse vegetatie (nog lager, struikachtig)
le maquis
23de preutsheid, bescheidenheid
la pudeur
24oude kleren, vodden, namaakgoud-kleding
des oripeaux
25een intergetijdengebied (wad, stuk strand tussen eb en vloed)
un estran
26omgaan met iemand
côtoyer qqn
27de Aboriginals (Aborigines van Australië)
les Aborigènes
28een opschepper (pretentieus iemand)
un frimeur
29aan de slag gaan (beginnen aan)
s'atteler
31een avonturier, globetrotter, vechtjas, kemphaan
un baroudeur
33een oud vervallen huisje (fam.)
une bicoque
34een bosje (klein bos of struikgewas)
un bosquet
35de varen (plant)
la fougère
36een dwangbevel (een uitdrukkelijk bevel, commando)
une injonction (un commandement)
37door bemiddeling van (door vertolking van, via)
par le truchement de
38gek, mal, doorgedraaid
cinglé (fou)
39een riksja
un pousse-pousse
40een kinderwagen
une poussette
41de (een) geitenkaas uit Languedoc-Roussillon
le pélardon
42overhalen, vleien, verleiden
amadouer
43een boodschappentas (mot prov.)
un cabas
44slank en fragiel (fragiel slank)
fluette
45een droogheid (van grond, het droge karakter van de grond of de natuur)
une aridité
46de meter (peettante)
la marraine
47de peter (peetoom)
le parrain
48de zijde (stof)
la soie
49een uil (een soort verwant aan les hiboux)
un duc (grand duc, petit duc)
50een last, een vracht (ook figuurlijk)
un fardeau
51een (steen)groeve
une carrière (de pierre, de marbre, de bauxite)
52een carrière (loopbaan)
une carrière
53stiekem (buiten het zicht van anderen)
en cachette
54een verstopplaats
une cachette
55een terts (getijdengebed, nl het 3e uur, dwz 09:00u)
une tierce (liturgie des Heures)
56de wierook
l'encens (n.m.)
57omarmen, omhelzen, in de armen nemen
étreindre
58opengaan (van ei), zich ontwikkelen
éclore
60de wede (pastel, plant waaruit blauwe kleurstof werd onttrokken)
la guède (le pastel des teinturiers)
61het spatbord
le garde-boue
62rondlopen met, sjouwen, leuren
trimballer
63een koukleum (m), (v)
un frileux, une frileuse
64een haarlok (plukje haar) , een lont (van een kaars bijvoorbeeld)
une mèche
65een schurk, schorem, tuig enfant-terrible
un voyou
66een leraar, een lerares
un professeur, une professeure
67een professor (m), (v) (academische titel)
un professeur, une professeure
68ik ben Arthur
moi, c'est Arrhur
69wisselvallig, onzeker
aléatoire
70lager gelegen (dan)
en contrebas (de)
71hoger gelegen (dan)
en contre-haut (de)
72iemand ophemelen
aduler qqn
73de rijp (vorst)
le givre
75pottenbakker, keramiekverkoper (m) (+v.)
le potier (la potière)
78mbt het voorjaar (voorjaarstemperaturen)
printanière (des températures printanières)
79een olijventeler
un oléiculteur
80de schrik, de (hevige) angst
la frayeur
81een gevangenbewaarder (een cipier)
- un geôlier (geôlière)
- un gardien
83verhoren, vervullen (van een gebed)
exaucer
84helemaal gek zijn van, aanbidden
raffoler (de)
85water geven, bevochtigen, besproeien
abreuver
86een grootvader (grootmoeder, grootouders)
un aïeul (aïeule, aïeux)
88een opmerking letterlijk nemen
prendre une remarque au premier degré
89de ingewanden
les entrailles (n.f.)
91een snuiter, snoeshaan
un hurluberlu
93een schijterd, een bangerd (ook bnw)
un trouillard (une trouillarde)
94een lelijk gezicht, pruillip
une moue
97zich oprollen, nestelen
se blottir
98eeltig
calleux (calleuse)