La Libraire

100 flashcardsby rs79
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
een zekering (smeltveiligheid)
un fusible
2
iemand die goed is in wiskunde of student wiskunde
un matheux (une matheuse)
3
de bliksem
la foudre
4
kledingstukken (een kledingstuk, fam.)
fringues (une fringue)
5
een vitrine, een façade
une devanture
6
het slot
la serrure
7
naastgelegen (aangelegen)
adjacente
8
een beuk (beukenboom)
un hêtre
9
schrijlings (gaan) zitten op...
s'asseoir à califourchon sur...
10
kwetsen (ook: verfrommelen)
froisser
11
een schuim (op een vloeistof, of op de zee)
une écume
12
slenteren
errer (déambuler)
13
de (boen)was
l'encaustique (n.f.) (la cire)
14
plotseling binnen komen vallen
débouler
15
met pek en veren
avec du goudron et des plumes
16
het gehemelte (verhemelte)
le palais
17
het paleis
le palais
18
een klif
une falaise
19
het hoofd schudden (knikkebollen), wiegen
dodeliner (dodeliner de la tête)
20
de tribune (de verhoging of trede van een tribune of amfitheater)
les gradins (le gradin)
21
mediterraanse vegetatie (biotoop, voornamelijk lagere struiken, plus olijfachtige, oleander etc)
la garrigue
22
andere mediterraanse vegetatie (nog lager, struikachtig)
le maquis
23
de preutsheid, bescheidenheid
la pudeur
24
oude kleren, vodden, namaakgoud-kleding
des oripeaux
25
een intergetijdengebied (wad, stuk strand tussen eb en vloed)
un estran
26
omgaan met iemand
côtoyer qqn
27
de Aboriginals (Aborigines van Australië)
les Aborigènes
28
een opschepper (pretentieus iemand)
un frimeur
29
aan de slag gaan (beginnen aan)
s'atteler
30
het koraal
le corail
31
een avonturier, globetrotter, vechtjas, kemphaan
un baroudeur
32
een zeilboot
un voilier
33
een oud vervallen huisje (fam.)
une bicoque
34
een bosje (klein bos of struikgewas)
un bosquet
35
de varen (plant)
la fougère
36
een dwangbevel (een uitdrukkelijk bevel, commando)
une injonction (un commandement)
37
door bemiddeling van (door vertolking van, via)
par le truchement de
38
gek, mal, doorgedraaid
cinglé (fou)
39
een riksja
un pousse-pousse
40
een kinderwagen
une poussette
41
de (een) geitenkaas uit Languedoc-Roussillon
le pélardon
42
overhalen, vleien, verleiden
amadouer
43
een boodschappentas (mot prov.)
un cabas
44
slank en fragiel (fragiel slank)
fluette
45
een droogheid (van grond, het droge karakter van de grond of de natuur)
une aridité
46
de meter (peettante)
la marraine
47
de peter (peetoom)
le parrain
48
de zijde (stof)
la soie
49
een uil (een soort verwant aan les hiboux)
un duc (grand duc, petit duc)
50
een last, een vracht (ook figuurlijk)
un fardeau
51
een (steen)groeve
une carrière (de pierre, de marbre, de bauxite)
52
een carrière (loopbaan)
une carrière
53
stiekem (buiten het zicht van anderen)
en cachette
54
een verstopplaats
une cachette
55
een terts (getijdengebed, nl het 3e uur, dwz 09:00u)
une tierce (liturgie des Heures)
56
de wierook
l'encens (n.m.)
57
omarmen, omhelzen, in de armen nemen
étreindre
58
opengaan (van ei), zich ontwikkelen
éclore
59
een sierraad (2 x)
  • un bijou
  • un joyau
60
de wede (pastel, plant waaruit blauwe kleurstof werd onttrokken)
la guède (le pastel des teinturiers)
61
het spatbord
le garde-boue
62
rondlopen met, sjouwen, leuren
trimballer
63
een koukleum (m), (v)
un frileux, une frileuse
64
een haarlok (plukje haar) , een lont (van een kaars bijvoorbeeld)
une mèche
65
een schurk, schorem, tuig enfant-terrible
un voyou
66
een leraar, een lerares
un professeur, une professeure
67
een professor (m), (v) (academische titel)
un professeur, une professeure
68
ik ben Arthur
moi, c'est Arrhur
69
wisselvallig, onzeker
aléatoire
70
lager gelegen (dan)
en contrebas (de)
71
hoger gelegen (dan)
en contre-haut (de)
72
iemand ophemelen
aduler qqn
73
de rijp (vorst)
le givre
74
spraakzaam
bavard
75
pottenbakker, keramiekverkoper (m) (+v.)
le potier (la potière)
76
de wielewaal
le loriot
77
een mus
un passereau
78
mbt het voorjaar (voorjaarstemperaturen)
printanière (des températures printanières)
79
een olijventeler
un oléiculteur
80
de schrik, de (hevige) angst
la frayeur
81
een gevangenbewaarder (een cipier)
  • un geôlier (geôlière)
  • un gardien
82
belasten
encombrer
83
verhoren, vervullen (van een gebed)
exaucer
84
helemaal gek zijn van, aanbidden
raffoler (de)
85
water geven, bevochtigen, besproeien
abreuver
86
een grootvader (grootmoeder, grootouders)
un aïeul (aïeule, aïeux)
87
plagen
taquiner
88
een opmerking letterlijk nemen
prendre une remarque au premier degré
89
de ingewanden
les entrailles (n.f.)
90
een beet
une morsure
91
een snuiter, snoeshaan
un hurluberlu
92
zich stoten
se cogner
93
een schijterd, een bangerd (ook bnw)
un trouillard (une trouillarde)
94
een lelijk gezicht, pruillip
une moue
95
diep bedroeven
navrer
96
het spijt me zeer
  • navré
  • je suis navré
97
zich oprollen, nestelen
se blottir
98
eeltig
calleux (calleuse)
99
de eelt
le cal
100
gedrongen, log
trapu
Study all 100 cards for free