10cernere
in het oog krijgen; zien
12cōgere
bijeenbrengen; dwingen
13cōgnōscere
leren kennen; vernemen
14colere
bewerken; bewonen; vereren
15committere
begaan; toevertrouwen; beginnen
16compōnere
samenplaatsen; opstellen
17concēdere
wijken; toegeven; toestaan
18condere
stichten; opbergen
21cōnsistere
halt houden; zich opstellen
22cōnstituere
opstellen; vaststellen
23cōnsuēscere
gewoon worden
24cōnsulere
beraadslagen; raadplegen; zorgen voor
25contendere
zich inspannen; wedijveren
26contingere
het overkomt (iemand)
28convertere
omkeren; veranderen in
29crēdere
geloven; vertrouwen; toevertrouwen
32dēfendere
afweren; verdedigen
36dīmittere
wegzenden; laten gaan
39ēdūcere
naar buiten brengen; opvoeden
40excēdere
weggaan uit; overschrijden
41exigere
uitdrijven; eisen; voltooien
43impellere
aandrijven; aanzetten
44impōnere
plaatsen op; opleggen
45incendere
in brand steken
46īnstituere
oprichten; beginnen; onderrichten
48intermittere
onderbreken
50legere
lezen; kiezen; verzamelen
52mittere
zenden; laten gaan
54occurrere
tegemoet lopen
58permittere
toestaan; toevertrouwen
59petere
gaan naar; aanvallen; nastreven; vragen
60pōnere
plaatsen; neerleggen
62premere
drukken; neerdrukken
63quaerere
zoeken; vragen
64reddere
teruggeven; maken tot
65relinquere
achterlaten; verlaten
66remittere
terugzenden; laten gaan
67repetere
teruggaan naar; terugvragen; herhalen
68resistere
stilstaan; zich verzetten tegen
69ruere
vooruitstormen; instorten
71solvere
losmaken; bevrijden; betalen
72statuere
plaatsen; vaststellen; beslissen
74tangere
aanraken; bereiken; treffen
75tegere
bedekken; beschermen
76tendere
spannen; streven; gaan
77trādere
overhandigen; toevertrouwen; overleveren
78tollere
opheffen; wegnemen
79trahere
trekken; rekken
80vertere
omkeren; veranderen in
88ūtī
gebruiken; omgaan met