Algemeen

131 flashcardsby Guido
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
wat me niet lekker zit
ce qui me chiffonne
2
Ik lig dubbel (van het lachen).
Je suis plié (de rire).
3
Er is voldaan aan mijn behoefte.
Mon besoin a été assouvi.
4
en zo verder
et ainsi de suite
5
Er klopt iets niet.
Il y a quelque chose qui cloche.
6
de relevantie
la pertinence
7
Maak je geen zorgen.
Ne t'en fais pas.
8
uitroep van spijt of ontevredenheid: verdorie!
Punaise !
9
uitroep van bewondering (vulg.)
Putain !
10
Te gek!
C'est dingue !
11
Je uitleg is glashelder.
Ton explication est limpide.
12
de liniaal
la règle
13
de passer
le compas
14
het assenstelsel
le repère (de coordonnées)
15
wankel, gammel (ook figuurlijk, bijvoorbeeld m.b.t. een argument)
bancal
16
zich haasten, snellen
se précipiter
17
een verbeten/felle strijd
une lutte acharnée
18
een ster, een hemellichaam (kan dus ook een planeet zijn)
un astre
19
het diepste van
le fin fond de (l'espace, mon cœur, etc.)
20
het piepschuim
le polystyrène
21
een blaar (2)
une ampoule, une cloque
22
de kookplaat
la plaque de cuisson
23
de ritssluiting
la fermeture éclair
24
de ordner
le classeur
25
de poedersuiker
le sucre glace
26
miskend, onbegrepen (bijvoorbeeld m.b.t. een genie)
méconnu
27
een epos
une épopée
28
verzot op wiskunde
féru de mathématiques
29
afwerpen, parachuteren, laten vallen, figuurlijk: (iem.) laten zitten, ontslaan
larguer
30
iemand het leven zuur maken
en faire voir à quelqu'un
31
strijken langs, rakelings passeren
frôler
32
een beklimming, een snelle stijging
une escalade
33
Ik word er gek van. (5)
Ça me rend chèvre.
Ça me rend fou.
Ça me rend dingue.
Ça m'exaspère.
Ça me met hors de moi.
34
Ik bel je vanuit Parijs.
Je t'appelle depuis Paris.
35
van het eenvoudigste model tot het meest geavanceerde
depuis le modèle le plus simple jusqu'au modèle le plus avancé...
36
sindsdien (3)
depuis, depuis lors, dès lors
37
sinds kort
depuis peu
38
altijd al
depuis toujours
39
vanaf (2)
dès, à partir de
40
zodra
dès l'instant où
41
afgezien daarvan
au delà de ça
42
voor de vorm
pour la beauté du geste
43
zich schromelijk vergissen
se planter
44
het verstand te boven gaan
dépasser l'entendement
45
de slinger, de katapult
la fronde
46
ontloken (van een bloem), tot volle ontwikkeling gekomen
épanoui
47
alles achterlaten
tout plaquer
48
gigantisch, astronomisch (fam.)
faramineux
49
Het is het proberen waard.
Ça vaut le coup d'essayer.
50
een bemande vlucht
un vol habité
51
eerst zien, dan geloven
voir, c'est croire
52
ten eerste, ten tweede, ... (fam.)
de un, de deux, ...
53
het woordje 'ne' inslikken
manger le mot « ne »
54
't volhouden (fam.)
tenir le coup
55
tevreden zijn met (niet méér willen), het houden/laten bij, blijven bij (een mening)
s'en tenir à
56
Anders ik wel!
Et moi donc !
57
Daar weet ik alles van!
À qui le dis-tu !
58
Jij zegt het. (uitdrukking van twijfel)
Ça, c'est toi qui le dis.
59
Dat valt nog te bezien! (2)
1) C'est vite dit !
2) Moueh, à voir !
60
Absoluut! (fam.) (3)
Grave !
Mais d'une force !
Oui, carrément !
61
absoluut, uiteraard, beslist, zeer (fam.)
carrément
62
Ja, dat is inderdaad zo. (3)
Ah ça, oui, c'est clair.
Ça on est d'accord.
J'avoue. (fam.)
63
Ik ben stomverbaasd/verbijsterd. (2)
Je n'en reviens pas.
Je suis abasourdi.
64
het redden, eruit komen (figuurlijk)
s'en sortir
65
1) ergens financieel goed uitkomen / erop verdienen
2) niet verdwalen
3) wijs worden [uit]
s'y retrouver [dans]
66
verstand hebben van
s'y connaître en
67
verwachten
s'attendre à
68
het aanpakken
s'y prendre
69
iets hervatten → weer verdergaan
se remettre à qqc → s'y remettre
70
wennen aan (2)
s'habituer à, se faire à
71
bij de kern van de zaak komen
entrer dans le vif du sujet
72
een handigheidje
une astuce
73
voortdurend, te pas en te onpas
à toutes les sauces
74
Dat wordt steeds gebruikelijker.
Ça devient monnaie courante.
75
de schuld geven, uithalen naar
s'en prendre à
76
dat gezegd hebbend
cela dit
77
Nee hoor, dat denk ik in het geheel niet!
Loin de moi cette idée !
78
Of niet. (uitdrukking van twijfel)
Ou pas !
79
Dat is niet de vraag! (als iemand een oneigenlijk argument gebruikt)
Là n'est pas la question !
80
het koorddansen
le funambulisme
81
geselen
flageller
82
1) Dat is riskant.
2) Dat is niet zo best.
Ça craint.
83
1) Dat is riskant.
2) Dat wordt lastig.
C'est chaud.
84
Het is wel oké / acceptabel.
Ça passe.
85
Komt goed. (3)
Ça va le faire.
Ça va marcher.
Ça va aller.
86
Wat irritant! (5)
Ça me saoule !
Ça m'énerve !
Ça m'agace !
Ça me gonfle !
Ça me dérange !
87
Ik heb geen zin/puf om ...
J'ai la flemme de ...
88
Pas op! (fam.)
Fais gaffe !
89
om er maar een paar te noemen
pour ne citer qu'eux
90
de overhand krijgen/hebben
de overhand krijgen:
prendre le dessus

de overhand hebben:
avoir le dessus, l'emporter
91
overdreven (fam.)
abusé
92
Dat is wel een beetje duur.
Ça fait un peu cher quand même.
93
trouwens, tussen haakjes
au fait
94
uitdrukking die aangeeft dat hetgeen gezegd wordt anders is dan de luisteraar of de spreker zelf zou verwachten. (In het eerste geval te vertalen met hoe dan ook, in het tweede geval met bij nader inzien.)
en fait
95
Dat verklaart alles!
Tout s'explique !
96
Ik begrijp er helemaal niks van! (2)
Tout cela me laisse perplexe !
Je suis perplexe !
97
Hoe kan dat?
Comment ça se fait ?
98
Dat zegt een hoop over ...
Ça en dit long sur ...
99
Ik had een goede ingeving. / Er ging een lampje bij me branden.
J'ai eu un déclic.
100
inderdaad
effectivement
101
dientengevolge (soutenu)
par conséquent
102
vanaf nu (3)
dores et déjà (soutenu)
désormais
à partir de maintenant
103
een misdienaar, een aanhanger
un acolyte
104
iemand overvallen (fig.)
prendre qqn au dépourvu
105
Dat hoort niet.
Ça se fait pas.
106
Ik ben helemaal op. (fysiek of mentaal)
Je suis au bout du rouleau.
107
Weet ik nog niet. / Daar moet ik nog over nadenken.
Faut voir.
108
Dat is oké voor mij.
Ça me va.
109
geluk hebben (fam.)
avoir du bol
110
Dat is overduidelijk!
Y'a pas photo !
111
bovendien (2)
qui plus est, en plus
112
Dat is vergeefse moeite.
C'est peine perdue.
113
Mijn fout. / Sorry, ik heb me vergist.
Au temps pour moi.
114
Dat staat hem onvermijdelijk te wachten. (Gaat meestal om iets negatiefs.)
Ça lui pend au nez.
115
We spreken elkaar! (als afscheidsgroet) (2)
On se tient au courant !
On se rappelle !
116
onmiddellijk (4)
tout de suite, aussitôt, dans la foulée, ni une ni deux
117
Ik hoop het voor hem. (Maar we zullen zien hoe het uitpakt.)
Grand bien lui fasse !
118
Ik heb het niet begrepen. (normaal spraakgebruik) (4)
Je n'ai pas compris.
Je n'ai pas saisi.
Je suis perdu.
Je suis dans le flou.
119
Ik heb er niets van begrepen. (fam.) (4)
J'ai rien capté.
Je suis complètement largué.
J'y pige que dalle. (que dalle = rien du tout)
Je suis paumé. (= perdu)
120
iets met voorzichtigheid beschouwen, iets niet zonder meer aannemen
prendre qqc avec des pincettes
121
zij aan zij, schouder aan schouder, nek aan nek
coude à coude
122
11 dagen voor de grote dag
J-11 avant le grand jour
123
een handvol ...
une poignée de ...
124
genieten, zijn hart ophalen
se régaler
125
een schattige hond
un toutou
126
proosten, klinken
trinquer
127
znw: een laatkomer, achterblijver
bnw: achtergebleven, niet meer van deze tijd
(un) retardatair
128
een besturingssysteem (van computers)
un système d'exploitation
129
een pdf-viewer
une visionneuse de pdf
130
onveranderlijk
immuable
131
op een gegeven moment
au bout d'un moment
Study all 131 cards for free