1Affectieve voorwaarde
Voorwaarde voor effectieve communicatie: spreken, gebaren en handelingen moeten dezelfde emotionele betekenis hebben.
2AIDA-model
Klassiek model over de werking van communicatie, waarbij een afnemer een aantal stappen in dwingende volgorde doorloopt, voordat hij tot een aankoop overgaat. De stadia zijn: aandacht/attention, belangstelling/interest, verlangen/desire en actie/action.
3Boodschap
Datgene wat de zender de ontvanger duidelijk wil maken.
4Coderen
Verpakken van de boodschap: hoe beter dit gebeurt, hoe meer de boodschap opvalt.
5Cognitieve voorwaarde
Voorwaarde voor effectieve communicatie: beide partijen moeten ongeveer op hetzelfde kennisniveau zitten.
6Communicatie
Proces waarbij een zender informatie via een medium overdraagt aan de ontvanger. Communicatie is er op gericht een ander deelgenoot te maken van de informatie.
7Communicatiemodel
Model dat de werking van communicatie beschrijft.
8Communicatiemix
Feitelijke inzet, combinatie en afstemming van de communicatie-instrumenten behoeve van een specifieke doelgroep door een bepaalde organisatie.
9DAGMAR-model
Communicatiemodel waarbij ervan uitgegaan wordt dat reclame-effecten alleen maar kunnen worden gemeten als vooraf de doelstellingen zijn vastgesteld. Staat voor: Defining Advertising Goals for Measured Advertising Results. Wordt ook wel Model van Colley genoemd.
10Decoderen
Het uitpakken van een boodschap.
11Interpretatieve voorwaarde
Voorwaarde voor effectieve communicatie: beide partijen moeten dezelfde uitleg geven aan boodschappen.
12Marketing
Alle activiteiten verricht door ruilsubjecten, die erop gericht zijn om ruiltransacties te bevorderen, vergemakkelijken en te bespoedigen.
13Marketingmix
Combinatie en afstemming van de door een organisatie gehanteerde marketinginstrumenten die gericht zijn op een of meer doelgroepen binnen een bepaalde markt.
14Doelgroep
Een verzameling potentiële afnemers waarop de organisatie zich richt en waarvoor zij specifieke marketingactiviteiten ondernemen.
15Medium
Instantie tussen de zender en ontvanger via bijvoorbeeld: televisie of internet.
16Non-verbale communicatie
Alle vormen van communicatie zonder het gesproken of geschreven woord.
17Ontvanger
Degene die de boodschap aanhoort.
18Productmix
Feitelijke inzet, combinatie en afstemming van de productinstrumenten voor een specifieke doelgroep door een bepaalde organisatie.
19Referentiekader
Het geheel van opvattingen, associaties, waarden en normen van waaruit iemand de wereld om zich heen bekijkt.
20Ruis
Verstoring van het communicatieproces en kan op verschillende plaatsen in het proces optreden, waardoor de boodschap verkeerd wordt begrepen.
21Selling-in-activiteiten
Communicatieactiviteiten om te bewerkstelligen dat de handel de producten in het assortiment opneemt en aan deze producten de nodige aandacht schenkt.
22Selling-out-activiteiten
Communicatieactiviteiten gericht op het verhogen van de omzetsnelheid bij handel.
23Technische voorwaarde
Voorwaarde voor effectieve communicatie: beide partijen moeten dezelfde taal beheersen.
24Zender
Degene die spreekt, schrijft of mailt.
25MVO
Maatschappelijk verantwoord ondernemen.
26Macromarketing
De rol van marketing in de samenleving staat centraal.
27Mesomarketing
Marketing binnen een bepaalde sector, of de marketing van bedrijven die een gezamenlijk belang hebben.
28Micromarketing
De marketing van een individuele onderneming of instelling. Omvat alle activiteiten die gericht zijn op het opsporen, aantrekken en behouden van klanten.
29Distributiekanaal
Hoe een product bij de klant komt.
30Communicatiebeleid
De manieren van een bedrijf om bekendheid te geven aan een product.