week 4 zinnen TEST

20 flashcardsby Mabje
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
Wat heeft hij gezegd? Hij zei: Voor wie zijn de frieten?
¿Qué ha dicho? Ha dicho: ¿Para quién son las patatas fritas?
2
Kunt u naar ons huis komen? Volgende week?
¿Puede venir a nuestra casa? La semana que viene?
3
Ze zegt dat de uitgang van de winkel boven is, achter het café
Dice que la salida de la tienda está arriba, detrás del bar.
4
Weet je dat hij naar Engeland gegaan is?
¿Sabes que ha idoa Inglaterra?
5
Wat wilt u? Ik ben ziek en kan niet werken
¿Qué quiere? Estoy enfermoy no puedo trabajar.
6
Kunt u me helpen, alstublieft? Is er hier een dokter?
¿Puede ayudarme, por favor? ¿Hay un doctor aquí?
7
Gaat hij naar de afspraak zonder schoenen? Dat kun je niet maken
¿Va a la cita sin zapatos? Esto no se puede hacer.
8
Ik ken Isabel Romero. Ze is een interessante vrouw..
Conozco a Isabel Romero. Es una señora muy interesante.
9
Niemand kan 15 biertjes op één avond drinken. Dat is niet mogelijk.
Nadie puede beber quince cervezas en una noche. No es posible.
10
Ik lust het dessert heel graag. Ik zou graag ijs hebben.
El postre me gusta mucho. Quisiera el helado.
11
Hij weet dat het een belangrijke zaak is, maar hij heeft geen tijd
Sabe que es una cosa importante pero no tiene tiempo.
12
We zijn klaar en nu moeten we naar Valencia gaan.
Hemos terminado y ahora tenemos que ir a Valencia.
13
Ik eet veel salades. Wat eet u?
¿Como muchas ensaladas. Qué come usted?
14
Hoe hebt u de vis graag? Zonder knoflook?
¿Cómo le gusta el pescado? ¿Sin ajo?
15
De naam van deze groente: hoe zegt men in het Spaans..
El nombre de esta verdura: ¿cómo se dice.. en espanol?
16
Er zijn geen winkels voor de kerk of erachter. Wat doen we?
No hay tiendas delante de la iglesia o detrás. ¿Qué hacemos?
17
Het bedrijf heeft gebeld. Een meneer López heeft gezegd dat het een belangrijke zaak was.
Ha llamado la empresa. Un Señor López ha dicho que es una cosa importante.
18
Ik ben er zeker van dat ze spuitwater hebben. Ze hebben het altijd
Estoy seguro que tienen agua con gas. Lo tienen siempre.
19
Hij zegt dat hij pijn heeft sinds gisteren. Gelooft u het?
Dice que tiene dolor desde ayer. ¿Lo cree?
20
Ik heb een verkoudheid. Ik kan niet naar België gaan vandaag.
Tengo un resfriado. No puedo ir a Bélgica hoy.
Study all 20 cards for free