1Wat heeft hij gezegd? Hij zei: Voor wie zijn de frieten?
¿Qué ha dicho? Ha dicho: ¿Para quién son las patatas fritas?
2Kunt u naar ons huis komen? Volgende week?
¿Puede venir a nuestra casa? La semana que viene?
3Ze zegt dat de uitgang van de winkel boven is, achter het café
Dice que la salida de la tienda está arriba, detrás del bar.
4Weet je dat hij naar Engeland gegaan is?
¿Sabes que ha idoa Inglaterra?
5Wat wilt u? Ik ben ziek en kan niet werken
¿Qué quiere? Estoy enfermoy no puedo trabajar.
6Kunt u me helpen, alstublieft? Is er hier een dokter?
¿Puede ayudarme, por favor? ¿Hay un doctor aquí?
7Gaat hij naar de afspraak zonder schoenen? Dat kun je niet maken
¿Va a la cita sin zapatos? Esto no se puede hacer.
8Ik ken Isabel Romero. Ze is een interessante vrouw..
Conozco a Isabel Romero. Es una señora muy interesante.
9Niemand kan 15 biertjes op één avond drinken. Dat is niet mogelijk.
Nadie puede beber quince cervezas en una noche. No es posible.
10Ik lust het dessert heel graag. Ik zou graag ijs hebben.
El postre me gusta mucho. Quisiera el helado.
11Hij weet dat het een belangrijke zaak is, maar hij heeft geen tijd
Sabe que es una cosa importante pero no tiene tiempo.
12We zijn klaar en nu moeten we naar Valencia gaan.
Hemos terminado y ahora tenemos que ir a Valencia.
13Ik eet veel salades. Wat eet u?
¿Como muchas ensaladas. Qué come usted?
14Hoe hebt u de vis graag? Zonder knoflook?
¿Cómo le gusta el pescado? ¿Sin ajo?
15De naam van deze groente: hoe zegt men in het Spaans..
El nombre de esta verdura: ¿cómo se dice.. en espanol?
16Er zijn geen winkels voor de kerk of erachter. Wat doen we?
No hay tiendas delante de la iglesia o detrás. ¿Qué hacemos?
17Het bedrijf heeft gebeld. Een meneer López heeft gezegd dat het een belangrijke zaak was.
Ha llamado la empresa. Un Señor López ha dicho que es una cosa importante.
18Ik ben er zeker van dat ze spuitwater hebben. Ze hebben het altijd
Estoy seguro que tienen agua con gas. Lo tienen siempre.
19Hij zegt dat hij pijn heeft sinds gisteren. Gelooft u het?
Dice que tiene dolor desde ayer. ¿Lo cree?
20Ik heb een verkoudheid. Ik kan niet naar België gaan vandaag.
Tengo un resfriado. No puedo ir a Bélgica hoy.