2αγγελλω
berichten, melden
3φιλτατος
1. liefst, dierbaars 2. zeer/heel geliefd, zeer/heel dierbaar
6βοηθεω
te hulp komen, helpen
8παυω
(doen/laten) stoppen, (doen/laten) ophouden
9εχθρος
gehaat (bij), vijandig (aan)
12κωλυω
verhinderen, beletten (om)
17αμα
tegelijk, tegelijkertijd
19ο ναυτης
zeeman, matroos
20ο στρατηγος
legeraanvoerder
23ουδε
1. en niet, maar niet 2. ook niet, zelfs niet
24τοδε
1. dit 2. het volgende
25ουδεν
1. niets 2. helemaal niet
30τοιουτος, τοιαυτη, τοιουτο
zodanig, dergelijk, zo'n
32ειχον
imperfectum van ik heb (εχω)
33παρην
imperfectum van aanwezig zijn (παρειμι)
34αρεσκω
bevallen aan, in de smaak vallen bij