1δεινός, δεινή, δεινόν
verschrikkelijk, geducht
2εὑρίσκει
(hij) vindt, ontdekt, treft aan
3θαυμάζω
bewonderen, zich verwonderen
4κελεύω + acc. + inf.
bevelen, verzoeken, vragen om
7σωτηρία, ἡ
redding, behoud
9μου, ἐμοῦ
(van) mij, mijn
10πάλιν
1. weer, opnieuw
2. terug
11χαίρω (+ dat.)
blij zijn (met), zich verheugen (over)
12μετὰ ταῦτα
na dit, daarna
13αἴτιος + gen.
verantwoordelijk voor, schuldig aan
14ἐγείρω
(op)wekken, wakker maken
16μετέχω + gen.
deelhebben aan, deelnemen aan
17νομίζω
+ 2 acc.
1. menen
2. beschouwen als, vinden
19πίπτω, aor. ἔπεσον
vallen
21τυγχάνω, aor. ἔτυχον
1. treffen
2. krijgen
22φροντίζω + gen.
zich bekommeren om
24συμφορά, ἡ
1. gebeurtenis
2. ongeluk
25ἀγγέλλω, aor. ἤγγειλα
berichten, melden
26κωλύω (+ inf.)
verhinderen, beletten (om)
31ἀρέσκω + dat.
bevallen aan, in de smaak vallen bij
32ἄξιος + gen.
waard, waardig
34ἄριστος
1. beste
2. zeer goed
36ἕτοιμος (+ inf.)
bereid, gereed, klaar (om te)
37εὐδαίμων (εὐδαίμονος)
gelukkig
39πείθω
overtuigen, overreden