Les 3.19 - Poëzie

44 flashcardsby Yani
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
kenmerk lyriek : subjectief
lyriek ontstaat vanuit de persoonlijke gevoelens van de dichter / muzikant - het publiek kan de eventuele boodschap op zijn eigen manier interpreteren
2
kenmerk lyriek: gevoel overheerst
gevoel (emotie) en stemming zijn belangrijk: lyriek ontstaat vanuit dit gevoel en stemming - het doel is om hetzelfde gevoel en stemming op te wekken bij het publiek
3
kenmerk lyriek: zinsbouw
klank en ritme zijn belangrijke elementen in de lyriek: er wordt gespeeld met rijm, stijlfiguren en ritme om het geheel goed te laten klinken - zinsbouw is meestal eenvoudig: mensen kunnen het gedicht / liedje makkelijk onthouden en gebruiken
4
proza
zinnen vormen samen een alinea - lopen over de gehele bladbreedte - rijmen niet - afwisselende zinslengtes: lange en korte
5
poëzie
versregels vormen samen een strofe - lopen niet over de gehele bladbreedte - hebben meestal dezelfde lengte - hebben vaak een vast rijmschema
6
doel van proza
informatie overbrengen
7
doel van poëzie
ontroering opwekken
8
thema van een gedicht
antwoord op de vraag waarover het gedicht gaat - meestal een abstract woord
9
tussen strofen
meestal een witregel
10
2 verzen
distichon
11
3 verzen
terzine
12
4 verzen
kwatrijn
13
5 verzen
kwintet
14
6 verzen
sextet
15
7 verzen
septet
16
acht verzen
octaaf
17
2 x 3 verzen
sextet
18
2 x 4 verzen
octaaf
19
reden dat de dichter kiest voor een enjambement
nadruk leggen op bepaalde woorden - rijm vereenvoudigen - ritme van het gedicht benadrukken
20
enjambement = voorbeeld van metrum
doordat het einde van de versregel niet samenvalt met een natuurlijke pauze
21
doel van een rijm: sfeerschepping
door een bepaald ritme te creëren, schep je ook sfeer
22
doel van een rijm: eenheid en structuur
woorden worden met elkaar verbonden, op die manier kan je het gedicht / liedje makkelijk onthouden
23
vrij vers
gedicht dat geen rijm in het vers bevat
24
voorrijm
rijm aan het begin van 2 opeenvolgende versregels
25
binnenrijm
woorden klinken hetzelfde binnen een versregel
26
eindrijm
rijm aan het einde van 2 opeenvolgende versregels
27
rijmschema's
slagrijm - gepaard rijm - gekruist rijm - omarmend rijm
28
slagrijm
AAAA
29
gepaard rijm
AABB
30
gekruist rijm
ABAB
31
omarmend rijm
ABBA
32
mannelijk rijm
laatste lettergreep wordt beklemtoond
33
vrouwelijk rijm
beklemtoonde lettergeep wordt gevolgd door een onbeklemtoonde lettergreep
34
glijdend rijm
beklemtoonde lettergreep wordt gevolgd door (minstens) 2 onbeklemtoonde lettergrepen
35
beklemtoond = ... / onbeklemtoond = ...
- / v
36
lettergreep bevat altijd + enkel dit kan beklemtoond zijn
klinker
37
altijd onbeklemtoond
doffe e
38
bepaald het rijm
laatste woord
39
alliteratie (vaak bij)
reclame
40
metrum = niet natuurlijk, maar
door de dichter gerealiseerd, is over nagedacht - vast ritmepatroon
41
metafoor = vorm van
beeldspraak
42
overdrijving = vorm van
ironie
43
metonymie = vorm van
figuurlijk taalgebruik
44
verschillende vormen van metonymie
deel voor het geheel - geheel voor het deel - maker voor het gemaakte - voorwerp voor de inhoud
Study all 44 cards for free