1een voordeeloed punt
un atout
2een voordeeloed punt *
un point positif
3een voordeeloed punt **
un avantage
4een nadeel/slecht punt
un inconvénient
5een nadeel/slecht punt *
un point négatif
6een nadeel/slecht punt **
un désavantage
8een koortsblaasje
un bouton de fièvre
15een (tennis)rakket
une raquette
20opletten/voorzichtig zijn
faire gaffe
27de kustwacht
le/la garde-côte(s)
28verraderlijk, gevaarlijk
piégeux, piégeuse
30omgevings-
ambiant(e) (la température ambiante)
31een zonneslag
un coup de soleil
32een klootzak
un con(n)ard
35een test, proef
une épreuve
36het werk, een job
le boulot
39denk je dat je me pakken kunt?
tu crois que tu peux m'avoir
40manieren om vlees te bakken
bleu, saignant, à point