Substantieven van ῥήτωρ en σῶμα, adjectieven van νέος en ἄδικος

86 flashcardsby Asteroïd
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
αἰσχρός
lelijk; schandelijk
2
αἴτιος
schuldig aan; verantwoordelijk voor (+ gen.)
3
ἀναγκαῖος
noodzakelijk
4
ἀνδρεῖος
moedig
5
ἄξιος
waard; waardig (+ gen.)
6
ἀρχαῖος
oud
7
δεξιός
rechts; rechter-
8
δεύτερος
tweede
9
δίκαιος
rechtvaardig
10
δῖος
schitterend
11
ἐλεύθερος
vrij
12
ἔνιοι -αι, -α
sommige(n); enige(n)
13
ἐχθρός
vijandig
14
θεῖος
goddelijk
15
ἴδιος
eigen
16
ἱερός
heilig
17
ἰσχυρός
sterk
18
καθαρός
zuiver
19
λαμπρός
schitterend; helder
20
μακρός
lang; groot
21
μακάριος
gelukkig; voorspoedig
22
μικρός
klein
23
νέος
nieuw; jong
24
ὁμοῖος
gelijk aan; gelijkend op (+ dat.)
25
παλαίος
oud
26
πλούσιος
rijk
27
πολέμιος
vijandig
28
πονηρός
schadelijk
29
πρότερος
eerder; vroeger
30
ῥᾴδιος
gemakkelijk
31
τελευταῖος
laatst
32
ὕστερος
later; volgend
33
φανερός
zichtbaar; duidelijk
34
ἄδικος
onrechtvaardig
35
ἀδύνατος
onmogelijk
36
ἀθάνατος
onsterfelijk
37
ἄτοπος
ongewoon; ongepast
38
βάρβαρος
niet-Grieks; buitenlands
39
βροτός
sterfelijk
40
ἀγών
de bijeenkomst; de wedstrijd
41
ἀήρ
de lucht
42
ἄναξ
de meester; de heer
43
ἀνήρ
de man
44
ἄρχων
de leider; de archont
45
γυνή
de vrouw
46
δαίμων
de godheid; de goddelijke macht
47
Ἑλλάς
Griekenland
48
Ἕλλην
de Griek
49
ἐλπίς
de hoop; de verwachting
50
ἔρως
de liefde
51
ἡγεμών
de leider; de gids
52
ἥρως
de halfgod; de held
53
θυγάτηρ
de dochter
54
κήρυξ
de heraut; de boodschapper
55
κύων
de hond
56
μήτηρ
de moeder
57
νύξ
de nacht
58
παῖς
het kind
59
πατήρ
de vader
60
πατρίς
het vaderland
61
πόσις
de echtgenoot
62
πούς
de voet; de poot
63
ῥήτωρ
de redenaar
64
φρήν
het middenrif; het gemoed
65
χάρις
de charme; het genoegen; de dank
66
χείρ
de hand
67
χθών
de aarde; het land
68
αἷμα
het bloed
69
ἅρμα
de strijdwagen
70
γόνυ
de knie
71
γράμμα
de letter; het boek (mv.); het geschrift (mv.)
72
δόρυ
de speer
73
δῶμα
het huis; de ruimte
74
ἦμαρ
de dag
75
κτῆμα
het bezit
76
μάθημα
de wetenschap; het onderricht
77
ὄνομα
de naam
78
παράδειγμα
het voorbeeld
79
πρᾶγμα
de handeling; de zaak; de toestand (mv.)
80
πῦρ
het vuur
81
στόμα
de mond
82
στράτευμα
het leger
83
σῶμα
het lichaam
84
ὕδωρ
het water
85
χρῆμα
het voorwerp; de rijkdom (mv.); het geld (mv.)
86
ψήφισμα
de stemming; de stem; het besluit; de wet
Study all 86 cards for free