1αἰσχρός
lelijk; schandelijk
2αἴτιος
schuldig aan; verantwoordelijk voor (+ gen.)
5ἄξιος
waard; waardig (+ gen.)
12ἔνιοι -αι, -α
sommige(n); enige(n)
19λαμπρός
schitterend; helder
21μακάριος
gelukkig; voorspoedig
24ὁμοῖος
gelijk aan; gelijkend op (+ dat.)
29πρότερος
eerder; vroeger
33φανερός
zichtbaar; duidelijk
37ἄτοπος
ongewoon; ongepast
38βάρβαρος
niet-Grieks; buitenlands
40ἀγών
de bijeenkomst; de wedstrijd
42ἄναξ
de meester; de heer
44ἄρχων
de leider; de archont
46δαίμων
de godheid; de goddelijke macht
49ἐλπίς
de hoop; de verwachting
51ἡγεμών
de leider; de gids
52ἥρως
de halfgod; de held
54κήρυξ
de heraut; de boodschapper
64φρήν
het middenrif; het gemoed
65χάρις
de charme; het genoegen; de dank
67χθών
de aarde; het land
71γράμμα
de letter; het boek (mv.); het geschrift (mv.)
73δῶμα
het huis; de ruimte
76μάθημα
de wetenschap; het onderricht
78παράδειγμα
het voorbeeld
79πρᾶγμα
de handeling; de zaak; de toestand (mv.)
85χρῆμα
het voorwerp; de rijkdom (mv.); het geld (mv.)
86ψήφισμα
de stemming; de stem; het besluit; de wet