2ha llamado
heeft getelefoneerd; heeft geroepen
8conozco (a)
ik ken (+ naam van een persoon)
16muchas gracias
hartelijk dank
19la semana que viene
volgende week (de week die komt)
25delante (de)
voor (plaatsbepalend)
27hacemos
we doen, we maken
28detrás (de)
achter (plaatsbepalend)
31el restaurante
het restaurant
32durante
gedurende, tijdens
34me gusta
ik hou van/ ik lust
35no me gusta
ik hou niet van / ik lust niet
38terrible
verschrikkelijk
40un resfriado
een verkoudheid
44esto ne se puedo hacer
dat kun je niet maken/doen
48le gusta
u houdt van, houdt u van?
53una ensalada
een slaatje
55¿qué quiere?
wat wilt u?
57las chuletas
de koteletten
58las patatas fritas
de frieten
61el pollo asado
de gegrilde kip
65con/sin gas
met/zonder koolzuur (bruisend/niet bruisend)
66terminado
klaar, afgelopen
68¿podría ayudarme?
kunt u mij helpen?
70¿cómo se dice en español ....?
hoe zegt men in het spaans ....?