Trajet 1

89 flashcardsby Kenzaa
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
l’abonnement (m)
het abonnement
2
l’appli(cation) (f)
de app
3
l’athlétisme (m)
de atletiek
4
la boum
de fuif, het feestje
5
le court de tennis
de tennisbaan
6
l’escalade (f)
de (berg)beklimming
7
le feu de camp
het kampvuur
8
le grimpeur
de klimmer
9
l’occasion (f)
de gelegenheid
10
le public
het publiek
11
la randonnée
de (wandel)tocht, de (trek)tocht
12
le repos
de rust
13
les réseaux sociaux
de sociale media
14
le sac à dos
de rugzak
15
le tchat
de chat
16
amusant, amusante
leuk, grappig
17
battre
verslaan
18
(se) blesser
(zich) verwonden
19
bouger
bewegen
20
dormir sous la tente
in de tent slapen
21
être (quatre)
(met z’n vieren) zijn
22
être passionné(e) de
heel geboeid zijn door, een passie hebben voor
23
grimper
klimmen, klauteren
24
jogger
joggen
25
monter sa tente
zijn tent opzetten
26
répéter
repeteren
27
s’abonner (à)
zich abonneren (op)
28
se baigner
zwemmen
29
sortir (en boîte)
uitgaan (in een discotheek)
30
tchatter
chatten
31
à l’aide de
met behulp van
32
à l’occasion de
ter gelegenheid van
33
à proximité de
dicht bij
34
les loisirs (m)
de vrije tijd
35
le participant, la participante
de deelnemer, de deelneemster
36
le passe-temps
de hobby, het tijdverdrijf
37
avoir envie de
zin hebben in, zin hebben om te
38
être accro à
verslaafd zijn aan, bezeten zijn van
39
se distraire
zich vermaken, zich ontspannen
40
s’entraîner
trainen, oefenen
41
traîner
rondhangen
42
les arts martiaux
de vechtsporten
43
le canoë
de kano
44
l’escaladeur (m)
de (berg)beklimmer
45
le gymnase
de sportzaal, de turnzaal
46
le parc d’attractions
het pretpark, het attractiepark
47
le saut à l’élastique
het benjispringen, de benjisprong
48
le saut en parachute
de parachutesprong, et parachutespringen
49
cuisiner
koken, kokkerellen
50
dresser sa tente
zijn tent opzetten
51
escalader
beklimmen
52
faire de la marche
wandelen
53
faire du canoë
kanoën
54
faire du cheval
paardrijden
55
faire du vélo
fietsen
56
observer les étoiles
naar de sterren kijken
57
partir à l’aventure
op avontuur gaan
58
plonger
duiken
59
le bouquin (fam.)
het boek
60
le comédien, la comédienne
de acteur, de actrice (toneel)
61
le festival
het festival
62
la littérature
de literatuur
63
la peinture
het schilderij, de schilderkunst
64
la photographie
de fotografie
65
la répétition
de repetitie
66
la scène
de scène, het podium
67
la sculpture
het beeldhouwwerk, de beeldhouwkunst
68
le spectacle
het spektakel, de voorstelling
69
le spectateur, la spectatrice
de toeschouwer, de toeschouwster
70
la troupe (de théâtre)
het toneelgezelschap
71
bouquiner (fam.)
lezen
72
entrer en scène
opkomen
73
faire de la musique
musiceren
74
faire du théâtre
toneelspelen
75
jouer un rôle
een rol spelen
76
sculpter
beeldhouwen
77
la collection (de timbres)
de (postzegel-)verzameling
78
le collectionneur, la collectionneuse
de verzamelaar, de verzamelaarster
79
le jeu de société
het gezelschapsspel
80
la plateforme de vidéos à la demande
de streamingdienst
81
les règles de jeu (f)
de spelregels
82
reposant, reposante
rustgevend
83
aller à la pêche
gaan vissen
84
aller boire un verre
op café gaan, iets gaan drinken
85
jouer à un jeu de société
een gezelschapsspel spelen
86
jouer aux cartes
kaarten, een kaartspel spelen
87
prendre du repos
rusten
88
prendre un verre
op café gaan, iets gaan drinken
89
se relaxer
relaxen
Study all 89 cards for free