LATIJN LES 13

49 flashcardsby Sabrina
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
praeda
buit
2
nullus, nulla, nullum
geen (enkel)
3
nonnulli
sommige(n)
4
sedes, sedis
1. (zit) plaats 2. woonplaats
5
malo, malui (malle)
liever willen
6
domi
thuis
7
quamquam
hoewel
8
dignus + abl
waard, waardig
9
cerno, crevi (cernêre)
zien
10
senex, senis
oude man
11
similis, simile
1. gelijk aan 2. gelijkend op
12
vis, acc vim, abl vi
kracht, geweld
13
metuo, metui (metuêre)
vrezen
14
invenio, inveni (invenire)
vinden, aantreffen
15
nolo, nolui (nolle)
niet willen
16
quidam
een zekere
17
cogo, coëgi (cogêre)
1. dwingen 2. bijeenbrengen
18
specto (spectare)
kijken naar, zien
19
propter + acc
vanwege, door
20
tango, tetigi (tangêre)
aanraken
21
mille
duizend
22
strepitus
lawaai
23
tempto (temptare)
proberen
24
ingens, ingentis
geweldig, enorm
25
ira
woede
26
brevis, breve
kort
27
quod
omdat
28
priusquam
voordat
29
nocte (abl)
's nachts
30
auxilium
hulp
31
peto, peti(v)i (petêre) a(b) +abl
vragen aan
32
ne ... quidem
zelfs niet
33
sentio, sensi (sentire)
voelen, bemerken
34
egregius, egregia, egregium
uitstekend, voorteffelijk
35
dum
terwijl
36
deicio, deieci (deicêre)
naar beneden werpen, laten vallen
37
ferox, ferocis
1. strijdlustig 2. woest, fel
38
teneo, tenui (tenêre)
(vast) houden
39
tremo, tremui (tremêre)
trillen, beven
40
ceteri
overige(n)
41
fames, famis
honger
42
saxum
steen, rots
43
affero, attuli (afferre)
(mee) brengen, ergens heen brengen
44
canis, canis
hond
45
gladius
zwaard
46
patria
vaderland
47
appello (appellare)
1. toespreken 2. noemen
48
despero (desperare)
wanhopen (aan)
49
sacer, sacra, sacrum
1. heilig 2. +gen gewijd aan
Study all 49 cards for free