3contentus, contenta, contentum
tevreden
8terribilis, terribile
verschrikkelijk
10parat
hij bereidt voor, maakt gereed
11multus, multa, multum
veel
14conveniunt
zij komen samen
16iuvenis, iuvenem
jongeman
17rapiunt
zij grijpen, roven
22perdit
hij richt te gronde, verliest
26per + acc
door ... heen, gedurende, door (middel van)
33talis, tale
zo'n, zodanig(e), zulk(e)
38clades, cladem
nederlaag
40accipiunt
zij nemen aan, ontvangen, verkrijgen, vernemen
43facere
1. (te) doen 2. (te) maken