2idem, eadem, idem
dezelfde, hetzelfde
3doceo, docui (docere)
onderwijzen, leren
4is, ea, id
1. hij, zij, het 2. deze/dit; die/dat
5mos, moris (mnl.)
gewoonte, gebruik
6praebeo, praebui (praebere)
verschaffen, aanbieden
10mores (mv.)
karakter, levenswijze, gedrag
11constat + a.c.i.
het staat vast dat
12felix, felicis
1. gelukkig, gezegend 2. voorspoedig
13liberi, liberorum (mv.)
kinderen
16postremo (bijw.)
tenslotte
18carus, cara, carum
dierbaar, geliefd
19pro +abl.
1. voor, ter verdediging van 2. in plaats van, in ruil voor
21pereo, perii (perire)
omkomen, te gronde gaan
22plebs, plebem (vrl.)
volk
23adeo, adii (adire)
gaan naar, komen naar
24socius
1. bondgenoot 2. makker
25dubito (dubitare)
aarzelen
26intereo, interii (interire)
sterven
27sui (mv.)
de zijnen (hunnen), zijn (hun) verwanten, zijn (hun) aanhangers
28occupo (occupare)
bezetten, in bezit nemen
29inimicus
1. vijandig 2. vijand
30eo, ii (ire)
gaan, komen
31prius (bijw.)
1. eerder, vroeger, eerst 2. liever