1deleo (delere)
vernietigen, verwoesten
3regio, regionis (vrl.)
streek, gebied
4premo, pressi (premere)
1. drukken 2. in moeilijkheden brengen, in het nauw brengen
5rapio, rapui (rapere)
grijpen, roven, meesleuren
6exeo, exii (exire)
uitgaan, weggaan
9qui, quae, quod (betr. voornw.)
die/dat, wie/wat
10hinc
van hier, hiervandaan
11solus, solius
alleen, (als) enige
13invado, invasi (invadere)
binnenvallen, aanvallen
14notus, nota, notum
bekend
15unus, unius
één, (als) enige, alleen
16restituo, restitui (restituere)
herstellen
17navis, navis (vrl.)
schip
18summus, summa, summum
grootste, hoogste