2amittêre (infinitivus)
verliezen
5bibêre (infinitivus)
drinken
9fratres (nom./acc. mv.)
broers
12enim
want, namelijk, immers
13vester, vestra, vestrum
(van) jullie
15tempus (nom./acc. onz.)
tijd
18cognoscêre (infinitivus)
leren kennen, vernemen
20tristis, triste
droevig, bedroefd
21fortis, forte
dapper, sterk
23incolumis, incolume
ongedeerd
24salutant
(zij) begroeten (als)
25eius
1. van hem, zijn 2. (van) haar 3. van het, zijn, ervan
27faciunt
1. (zij) maken 2. (zij) doen
29capiunt
(zij) pakken, (zij) nemen
30circa + acc
rondom, om ... heen
31altus, alta, altum
hoog, diep
32habitare (infinitivus)
(be)wonen
34omnis, omne
1. geheel 2. ieder, elk
35omnes (nom./acc. mv.)
alle(n)
36amicus, mv. amici
vriend
37terret
(hij) maakt bang, (hij) verschrikt
39esse (infinitivus)
(te) zijn
41super + acc
boven(op), over
43incipiunt
(zij) beginnen
44nomen (nom./acc. onz.)
naam
45ubi
1. waar? 2. waar (betr. vnw. van plaats)
46immortalis, immortale
onsterfelijk