4soleo (solere)
de gewoonte hebben
6nobilis, nobile
aanzienlijk, van hoge afkomst
11intro (intrare)
binnengaan
12territus, territa, territum
verschrikt
13clamor, clamorem
geschreeuw, lawaai
14excito (excitare)
opwekken, opjagen
15propero (properare)
zich haasten
17video, vidi (videre)
zien
21appareo, apparui (apparere)
verschijnen
24veto, vetui (vetare)
verbieden
25intellego, intellexi (intellegere)
begrijpen
28maximus, maxima, maximum
grootste, zeer groot
29isignis, insigne
opvallend, bijzonder, bekend
31noster, nostra, nostrum
onze, (van) ons
32totus, tota, totum
(ge)hele
33covoco (covocare)
bijeenroepen
34dico, dixi (dicere)
zeggen
36ardeo, arsi (ardere)
branden, in brand staan
37cognosco, cognovi (cognoscere)
leren kennen, vernemen
38amitto, amisi (amittere)
verliezen
39accipio, accepi (accipere)
1. ontvangen, verkrijgen 2. vernemen
40curro, cucurri (currere)
rennen
41capio, cepi (capere)
pakken, nemen
42convenio, conveni (convenire)
samenkomen
43mulier, mulierem
vrouw, echtgenote
44venio, veni (venire)
komen
46fero, tuli (ferre)
dragen, brengen, verdragen
47paratus, parata, paratum
voorbereid, gereed, bereid
48divinus, divina, divinum
goddelijk
50quaero, quaesivi (quaerere)
zoeken, vragen
51nimius, nimia, nimium
te veel, te groot
52posco, poposci (poscere)
eisen, vragen
53rideo, risi (ridere)
lachen
54puto (putare)
menen, vinden, beschouwen als
55pono, posui (ponere)
plaatsen, neerleggen
57impono, imposui (imponere)
plaatsen op, leggen op
58reliquus, reliqua, reliquum
overig
60idem
dezelfde, hetzelfde
61peto, peti(v)i (petere)
vragen, streven naar
64alius, alia, aliud
ander
65incendo, incendi (incendere)
in brand steken
67tandem
tenslotte, (uit)eindelijk