Les 5

57 flashcardsby Sabrina
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
κελεύω + acc. + inf.
bevelen / verzoeken / vragen om
2
ἐκ + gen.
uit
3
ἄγω (+ inf. ἄγειν)
brengen / leiden
4
ὁ νεκρός
lijk / dode
5
ὁ λόγος
woord
6
αὐτόν
hem (accusativus pers. vnw.)
7
κρατέω + gen.
macht hebben over, zich meester maken van, overwinnen
8
ἔξεστι(ν) + dat. (+ inf.)
het is (voor iemand) mogelijk/ geoorloofd om
9
ἐπί + dat.
bij / op / aan
10
αἱ πύλαι
poort / ingang
11
αὐτοῦ
(van) hem (genitivus pers. vnw.)
12
τότε
dan / toen
13
ἰσχυρός
sterk / krachtig
14
ἡ βασίλεια
koningin
15
μάλα
erg / zeer (bijwoord)
16
ἀνδρεῖος
dapper
17
καλός
mooi
18
τὸ δῶρον
geschenk / cadeau
19
ὁ πόλεμος
oorlog
20
φιλέω
houden van / beminnen
21
φίλος
geliefd / dierbaar
22
θαυμάζω
bewonderen, zich verwonderen
23
οὖν
dan, nu (als een verhaal verder gaat) / dus (in een conclusie)
24
αἰτέω (+ 2 acc.)
(iemand) vragen (om)
25
ἐγώ
ik (pers. vnw.)
26
ἐπιθυμέω (+ gen.)
verlangen (naar) / begeren
27
ἐθέλω
willen / bereid zijn
28
σύ
jij / u (pers. vnw.)
29
ἐπί (+ acc.)
op...af / naar
30
πέμπω (inf. πέμπειν)
sturen / zenden
31
ὁ ἑταῖρος
vriend / makker
32
πολλοί
veel / velen
33
ἐν + dat.
in / op / bij
34
ἡ οἰκία
huis
35
...τε καί...
en (verbindt twee woord(groep)en nauw met elkaar)
36
αὐτῷ
(aan/voor) hem (dativus pers. vnw.)
37
λέγω
zeggen
38
ἐνθάδε
hier(heen)
39
ἥκω
komen / gekomen zijn
40
αὐτῇ
(aan/voor) haar (dativus pers. vnw.)
41
ὅτι
dat (voegwoord) / omdat
42
σέ / σε
jou / je / u (accusativus pers. vnw.)
43
σός / σή / σόν
jouw / uw (bezittelijk vnw.)
44
μοί / μοι
(aan/voor) mij / me (dativus pers. vnw.)
45
παρέχω (inf. παρέχειν)
verschaffen / geven
46
λύω
losmaken
47
ἡ θεός
godin
48
ὁμοῖος + dat.
gelijk aan / gelijkend op
49
ὁ ξένος
vreemdeling
50
κακός
slecht
51
τὸ ἔργον
werk / daad
52
μέλλω + inf.
op het punt staan om / van plan zijn / zullen
53
αὐτήν
haar (accusativus pers. vnw.)
54
μετά + gen.
(samen) met
55
τὰ ὅπλα
wapens
56
ὁ ἵππος
paard
57
αὐτῆς
(van) haar (genitivus pers. vnw.)
Study all 57 cards for free