1κελεύω + acc. + inf.
bevelen / verzoeken / vragen om
3ἄγω (+ inf. ἄγειν)
brengen / leiden
6αὐτόν
hem (accusativus pers. vnw.)
7κρατέω + gen.
macht hebben over, zich meester maken van, overwinnen
8ἔξεστι(ν) + dat. (+ inf.)
het is (voor iemand) mogelijk/ geoorloofd om
9ἐπί + dat.
bij / op / aan
11αὐτοῦ
(van) hem (genitivus pers. vnw.)
13ἰσχυρός
sterk / krachtig
15μάλα
erg / zeer (bijwoord)
18τὸ δῶρον
geschenk / cadeau
20φιλέω
houden van / beminnen
21φίλος
geliefd / dierbaar
22θαυμάζω
bewonderen, zich verwonderen
23οὖν
dan, nu (als een verhaal verder gaat) / dus (in een conclusie)
24αἰτέω (+ 2 acc.)
(iemand) vragen (om)
26ἐπιθυμέω (+ gen.)
verlangen (naar) / begeren
27ἐθέλω
willen / bereid zijn
29ἐπί (+ acc.)
op...af / naar
30πέμπω (inf. πέμπειν)
sturen / zenden
31ὁ ἑταῖρος
vriend / makker
35...τε καί...
en (verbindt twee woord(groep)en nauw met elkaar)
36αὐτῷ
(aan/voor) hem (dativus pers. vnw.)
39ἥκω
komen / gekomen zijn
40αὐτῇ
(aan/voor) haar (dativus pers. vnw.)
41ὅτι
dat (voegwoord) / omdat
42σέ / σε
jou / je / u (accusativus pers. vnw.)
43σός / σή / σόν
jouw / uw (bezittelijk vnw.)
44μοί / μοι
(aan/voor) mij / me (dativus pers. vnw.)
45παρέχω (inf. παρέχειν)
verschaffen / geven
48ὁμοῖος + dat.
gelijk aan / gelijkend op
52μέλλω + inf.
op het punt staan om / van plan zijn / zullen
53αὐτήν
haar (accusativus pers. vnw.)
57αὐτῆς
(van) haar (genitivus pers. vnw.)