3ἐγείρω
(op)wekken, wakker maken
10αὐτός, αὐτή, αὐτό
zelf (bijvoeglijk gebruikt)
12τυγχάνω (+ gen.)
treffen (krijgen)
13ἡ παρθένος
(ongetrouwd) meisje, maagd
14μετέχω + gen.
deelhebben aan, deelnemen aan
16οὐδείς
niemand (lett. zelfs niet één)
17ἱερός (+ gen.)
heilig (gewijd aan)
22ἑαυτῷ
(voor, tot, bij) zichzelf (dativus)
23ἀποφέρω
wegbrengen, wegvoeren
24νομίζω (+ 2 acc.)
menen (beschouwen als, vinden)
25αἴτιος (+ gen.)
verantwoordelijk voor, schuldig aan
26ἀναβαίνω
omhoog gaan, beklimmen
30κατέχω
in zijn macht hebben, vasthouden, beheersen
31μόνον
slechts, alleen maar (bijwoord)
32οὐ μόνον..., ἀλλὰ καί
niet alleen..., maar ook
33ἐμός, ἐμή, ἐμόν
mijn (bezittelijk vnw.)
35μετὰ ταῦτα
na dit, daarna
37ἑαυτόν
zichzelf (accusativus)
41τίς...;
1. wie, wat? welk(e)?
43ἡ συμφορά
gebeurtenis (ongeluk)
45φροντίζω (+ gen.)
zich bekommeren om