1verus, vera, verum
echt, waar
2accipiunt
zij nemen aan, ontvangen, verkrijgen, vernemen
3pario (parêre)
voortbrengen
5opprimo (opprimêre)
neerdrukken, overweldigen, overvallen
7insignis, insigne
opvallend, bijzonder, bekend
8accipio, accepi (accipêre)
ontvangen, verkrijgen, vernemen
9fero, tuli (ferre)
dragen, brengen, verdragen
10alter, altera, alterum
de één, de ander
11spes, acc. spem
hoop, verwachting
12salus, salutis (vrl.)
redding, behoud, gezondheid
13acer, acris
scherp, fel, hevig
14virtus, virtutis (vrl.)
deugd, goede eigenschap, moed
15obsideo, obsedi (obsidêre)
bezetten, belegeren
16ignarus, ignara, ignarum + gen.
onkundig van, onwetend, onbekend met
17erro (errare)
rondzwerven, dwalen, zich vergissen
18caveo, cavi (cavêre) + acc.
op zijn hoede zijn voor, oppassen voor
19moveo, movi (movêre)
bewegen, verplaatsen, indruk maken op, ontroeren
20insidiae (mv.)
hinderlaag
21constituo, constitui (constituêre)
stellen, plaatsen, vaststellen, besluiten
22foedus, foederis (onz.)
verdrag, verbond
23quidem ... sed
weliswaar ... maar
24placeo, placui (placêre) + dat.
bevallen, in de smaak vallen
26ignosco, ignovi (ignoscêre) + dat.
vergeven
27multitudo, multitudinis (vrl.)
menigte
28accido, accidi (accidêre)
gebeuren, overkomen (aan)
29propinquus, propinqua, propinquum
vlakbij gelegen
30tantum (bijw.)
alleen maar, slechts
31munus, muneris (onz.)
taak, geschenk
32scelus, sceleris (onz.)
misdaad
33a(b) + abl.
weg van, van(af), door (toedoen van)
34perduco, perduxi (perducêre)
brengen tot/naar
37expello, expuli (expellêre)
verdrijven
38ago, egi (agêre)
voeren, drijven, doen, verrichten, (be)handelen
39trado, tradidi (tradêre)
overgeven, uitleveren, overleveren
41res, acc. rem, abl. re (vrl.)
zaak, ding
42excedo, excessi (excedêre)
uitgaan, weggaan
46perfero, pertuli (perferre)
overbrengen, verdragen
47ullus, ulla, ullum
enig(e)
48ingenium
karakter, doen en laten, aanleg, talent
49vis, acc. vim, abl. vi (vrl.)
kracht, geweld
51propter + acc.
vanwege, door
53egregius, egregia, egregium
uitstekend, voortreffelijk
54deicio, deieci (deicêre)
naar beneden werpen, laten vallen
55ferox, ferocis
strijdlustig, woest, fel
56affero, attuli (afferre)
(mee) brengen, ergens heen brengen
57appello (appellare)
toespreken, noemen
58infero, intuli (inferre)
brengen naar, verooverzaken, aandoen
59pietas, pietatis (vrl.)
plichtsgevoel, liefde, trouw
60refero, rettuli (referre)
terugbrengen, berichten, rapporteren
61damno (damnare)
veroordelen
62pario, peperi (parêre)
baren, voortbrengen