1pervenit
hij komt aan, bereikt
6solus, sola, solum
alleen, (als) enige
7timidus, timida, timidum
bang
8verus, vera, verum
echt, waar
9cogitat
hij denkt (aan), overweegt
13incolumis, incolume
ongedeerd
16capiunt
zij pakken, nemen
17altus, alta, altum
hoog, diep
18omnis, omne
geheel, ieder, elk
19terret
hij maakt bang, verschrikt
20super + acc.
boven(op), over
22parat
hij bereidt voor, maakt gereed
24perdit
hij richt the gronde, verliest
30accipiunt
zij nemen aan, ontvangen, verkrijgen, vernemen
31gero (gerêre)
dragen, (oorlog)voeren
33pario (parêre)
voortbrengen
37opprimo (opprimêre)
neerdrukken, overweldigen, overvallen
38soleo (solêre)
de gewoonte hebben, gewoonlijk doen
39territus, territa, territum
verschrikt
40clamor, clamorem
geschreeuw, lawaai
41eos (acc. mnl. mv.)
hen, deze(n), die
42veto, vetui (vetare)
verbieden
45insignis, insigne
opvallend, bijzonder, bekend
47accipio, accepi (accipêre)
ontvangen, verkrijgen, vernemen
48posco, poposci (poscêre)
eisen, vragen
49fero, tuli (ferre)
dragen, brengen, verdragen
51puto (putare)
menen, vinden, beschouwen als
52paratus, parata, paratum
voorbereid, gereed, bereid
54peto, peti(v)i (petêre)
vragen, streven naar
55alter, altera, alterum
de één, de ander
56spes, acc. spem
hoop, verwachting
58salus, salutis (vrl.)
redding, behoud, gezondheid
60fuit
hij is geweest, was
61fuerunt
zij zijn geweest, waren
62comprehendo, comprehendi (comprehendêre)
vastpakken
63consisto, constiti (consistêre)
gaan staan, blijven staan
64timor, timoris, (mnl.)
angst
65cupidus, cupida, cupidum + gen.
begerig naar
66acer, acris
scherp, fel, hevig
68eorum (gen. mnl./onz.)
van hen, hun, ervan
69virtus, virtutis (vrl.)
deugd, goede eigenschap, moed
70obsideo, obsedi (obsidêre)
bezetten, belegeren
71ignarus, ignara, ignarum + gen.
onkundig van, onwetend, onbekend met
72erro (errare)
rondzwerven, dwalen, zich vergissen
73caedes, caedis (vrl.)
moord, slachting
74iubeo, iussi (iubêre)
bevelen
75caveo, cavi (cavêre) + acc.
op zijn hoede zijn voor, oppassen voor
76dimjitto, dimisi (dimittêre)
wegsturen, laten gaan
77moveo, movi (movêre)
bewegen, verplaatsen, indruk maken op, ontroeren
79insidiae (mv.)
hinderlaag
80moneo, monui (monêre)
waarschuwen