alles wat ik niet weet to les 10

80 flashcardsby Sabrina
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
pervenit
hij komt aan, bereikt
2
facit
hij maakt
3
ducit
hij leidt, brengt
4
valde (bijw.)
erg, zeer
5
ad + acc.
naar, bij, tot
6
solus, sola, solum
alleen, (als) enige
7
timidus, timida, timidum
bang
8
verus, vera, verum
echt, waar
9
cogitat
hij denkt (aan), overweegt
10
periculum
gevaar
11
venit
hij komt
12
invenit
hij vindt
13
incolumis, incolume
ongedeerd
14
consilium
plan, besluit
15
gaudent
zij zijn blij
16
capiunt
zij pakken, nemen
17
altus, alta, altum
hoog, diep
18
omnis, omne
geheel, ieder, elk
19
terret
hij maakt bang, verschrikt
20
super + acc.
boven(op), over
21
incipiunt
zij beginnen
22
parat
hij bereidt voor, maakt gereed
23
rogat
hij vraagt
24
perdit
hij richt the gronde, verliest
25
atque
en
26
donum
geschenk
27
dux, ducem
aanvoerder
28
expugnat
hij verovert
29
prope
bijna, dichtbij
30
accipiunt
zij nemen aan, ontvangen, verkrijgen, vernemen
31
gero (gerêre)
dragen, (oorlog)voeren
32
malum
ramp
33
pario (parêre)
voortbrengen
34
praeterea
bovendien
35
iterum
weer, opnieuw
36
denique
tenslotte
37
opprimo (opprimêre)
neerdrukken, overweldigen, overvallen
38
soleo (solêre)
de gewoonte hebben, gewoonlijk doen
39
territus, territa, territum
verschrikt
40
clamor, clamorem
geschreeuw, lawaai
41
eos (acc. mnl. mv.)
hen, deze(n), die
42
veto, vetui (vetare)
verbieden
43
cur
waarom
44
inquit
zegt, zei hij
45
insignis, insigne
opvallend, bijzonder, bekend
46
ut
(zo)als
47
accipio, accepi (accipêre)
ontvangen, verkrijgen, vernemen
48
posco, poposci (poscêre)
eisen, vragen
49
fero, tuli (ferre)
dragen, brengen, verdragen
50
rursus
weer, terug
51
puto (putare)
menen, vinden, beschouwen als
52
paratus, parata, paratum
voorbereid, gereed, bereid
53
nusquam
nergens
54
peto, peti(v)i (petêre)
vragen, streven naar
55
alter, altera, alterum
de één, de ander
56
spes, acc. spem
hoop, verwachting
57
ubique
overal
58
salus, salutis (vrl.)
redding, behoud, gezondheid
59
impetus
aanval
60
fuit
hij is geweest, was
61
fuerunt
zij zijn geweest, waren
62
comprehendo, comprehendi (comprehendêre)
vastpakken
63
consisto, constiti (consistêre)
gaan staan, blijven staan
64
timor, timoris, (mnl.)
angst
65
cupidus, cupida, cupidum + gen.
begerig naar
66
acer, acris
scherp, fel, hevig
67
simul
tegelijkerteijd
68
eorum (gen. mnl./onz.)
van hen, hun, ervan
69
virtus, virtutis (vrl.)
deugd, goede eigenschap, moed
70
obsideo, obsedi (obsidêre)
bezetten, belegeren
71
ignarus, ignara, ignarum + gen.
onkundig van, onwetend, onbekend met
72
erro (errare)
rondzwerven, dwalen, zich vergissen
73
caedes, caedis (vrl.)
moord, slachting
74
iubeo, iussi (iubêre)
bevelen
75
caveo, cavi (cavêre) + acc.
op zijn hoede zijn voor, oppassen voor
76
dimjitto, dimisi (dimittêre)
wegsturen, laten gaan
77
moveo, movi (movêre)
bewegen, verplaatsen, indruk maken op, ontroeren
78
beneficium
weldaad
79
insidiae (mv.)
hinderlaag
80
moneo, monui (monêre)
waarschuwen
Study all 80 cards for free