4ἡ ἀνδρεία
moed, dapperheid
5ἡμᾶς
ons (accusativus pers. vnw.)
7ἡμῖν
(aan/voor) ons (dativus pers. vnw.)
9ἡ σωτηρία
redding, behoud
11εἰσβαίνω
ingaan, komen in
13αὐτοῖς
(aan/voor) hen (dativus pers. vnw.)
15πάλιν
1. weer, opnieuw 2. terug
17ἀκούω (+gen. bij personen horen, luisteren naar)
horen
18μου, ἐμοῦ
(van) mij, mijn (genitivus pers. vnw.)
19μένω (+ acc.)
blijven (wachten op)
20ὑμεῖς
jullie, u (pers. vnw.)
21δή
(geeft nadruk) dan, dus (vaak moeilijk te vertalen)
24εἶναι
(te) zijn (infinitivus)
26θαυμάζω ὅτι
zich erover verwonderen dat
27μή
niet (bij gebiedende wijs)
31αἱ Ἀθῆναι
Athene (de stad)
46ἐμέ, με
mij, me (accusativus pers. vnw.)
47γαμέω (+ acc.)
trouwen (met)
49χαίρω (+ dat.)
blij zijn (met), zich verheugen (over)