1erfelijk materiaal
bevat informatie over de kenmerken van het organisme
2erfelijk materiaal kenmerk
belangrijkste deel van een virus
3erfelijk materiaal bestaat uit
kernzuren: DNA en RNA
4gen
bevat informatie over de vorming van een eiwit
5genen bestaan uit een
code
6eiwitmantel bestaat uit
kleinere eiwitten: spike-eiwitten / spikes
7kenmerk enveloppe
virussen hebben dit niet altijd
8indeling virussen o.b.v.
het soort organisme dat ze infecteren (gastheer)
9kenmerk gastheer van een virus
specifieke / vaste gastheer
10plantenvirus: vorm
staafvormig
11dierlijk virus: vorm
bolvormig
12bacteriofaag: vorm
6-hoekige structuur met extra eiwitten om zich vast te zetten op de cel
13plantenvirus: kenmerken
oorzaak van allerlei ziektes in de land- en tuinbouw
14dierlijk virus: kenmerken
vallen mensen en dieren aan
15bacteriofaag: kenmerken
infecteren een bacteriële cel - grootste groep onder de virussen
16vermenigvuldiging van een virus
m.b.v. een levende cel
17virus = ... parasiet
verplicht / obligaat
18vormen van virusreplicatie
lytische + lysogene fase
19lytische fase: 1
virus hecht zich met zijn eiwitmantel vast aan een specifieke gastheercel
20lytische fase: 2
bacteriofaag injecteert zijn nucleïnezuur in de cel bij de infectie
21lytische fase: 3
cel wordt gedwongen om het erfelijk materiaal van het virus op te nemen
22lytische fase: 4
aanwezigheid van het viraal DNA blokkeert de gewone werking van de cel: gastheercel moet DNA / RNA van het virus lezen en tot expressie brengen
23tot expressie brengen
eiwitten van maken
24lytische fase: 5
cel maakt nieuw genetisch materiaal + vormt eiwitten voor de spikes
25lytische fase: 6
spikes in de geïnfecteerde cel rangschikken zich in een mantel rond het nieuwe erfelijke materiaal van het virus
26lytische fase: 7
er worden nieuwe bacteriofagen samengesteld
27lytische fase: 8
gastheercel wordt gevuld met nieuwe virussen
28lytische fase: 9
gastheercel barst open: nieuw gevormde virussen zwermen uit + kunnen nieuwe cellen infecteren
29kenmerk lytische fase
bacteriële cel sterft altijd
30lysogene fase: 1
virus hecht zich met zijn eiwitmantel vast aan een specifieke gastheercel
31lysogene fase: 2
bacteriofaag injecteert zijn nucleïnezuur in de cel bij de infectie
32lysogene fase: 3
cel wordt gedwongen het erfelijk materiaal van het virus op te nemen
33lysogene fase: 4
insertie (DNA virus opgenomen in DNA bacterie)
34elke keer als de bacterie deelt na insertie
profaag-DNA + bacteriële DNA worden verdubbeld
35lysogene fase: 5
excisie (DNA virus komt terug vrij)
36lysogene fase: 5 kenmerk
deze fase komt niet altijd voor
37lysogene fase: na stap 5
nieuwe lytische fase kan starten
38kenmerk lysogene fase
bacteriële cel sterft niet, maar kan veranderen
39oorzaak van meerdere bij de mens vaak voorkomende ziektes
virale infectie
40vorming koortsblaasjes: 1
herpesvirus plaatst ongemerkt zijn erfelijk materiaal in dat van de gastheer
41vorming koortsblaasjes: 2
bij elke celdeling van een aangetaste cel deelt het viraal materiaal mee = alle nieuwe cellen bevatten dit deel van het virus
42vorming koortsblaasjes: 3
het viraal DNA kan vrijkomen uit het DNA van de gastheer onder bepaald omstandigheden (koorts, stress, verzwakking ...)
43vorming koortsblaasjes: 4
bij een uitbarsting: gastheercellen beginnen nieuwe virussen aan te maken + er verschijnen typische koortsblaasjes
44vorming koortsblaasjes: 4 kenmerk
de gastheer is besmettelijk op dit moment
45overdracht koortsblaasjes
rechtstreeks en onrechtstreeks
46kenmerk koortsblaasjes
sommige mensen hebben dit nooit
47gevolg mazelen
kinderen kunnen hier erg ziek van zijn (sommige merken hier weinig / niets van)
48symptomen mazelen
hoge koorts - later stadium: rode huiduitslag in het gezicht die zich over het hele lichaam verspreidt
49kenmerk mazelen
besmettelijk, maar genezen vanzelf - immuun na 1e besmetting (krijgt de ziekte slechts 1 keer) - soms ernstige bijverschijnselen
50bijverschijnselen van de mazelen
oor-, long-, hersenvliesontsteking - soms zelfs dodelijke bijverschijnselen
51kenmerken virussen
snel, klein en taai + bestand tegen extreme droogte en uitzonderlijke temperaturen + reageren weinig / niet op medicatie
52lichaam tegen virussen kenmerken
verdedigingssyteem van ons lichaam - meeste virale aandoeningen kun je slechts 1 keer oplopen
53vacin niet bij elk virus
eiwitten van sommige virussen veranderen: vacin herkent ze niet meer
54niet iedereen besmet met een virus vertoont
ziekteverschijnselen
55alle virussen zijn
ziekteverwekkers / doden hun gastheer
56ecologisch voordeel virussen
grote populaties binnen de perken houden
57toepassingen van virussen in de geneeskunde
vaccins maken - gentherapie - faagtherapie
58voordeel faagtherapie in vergelijking met antibiotica
doodt een specifieke bacterie