Hoofdstuk 6: Micro-organismen - Bacteriën en archaea

114 flashcardsby Yani
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
voorkomen van bacteriën
je vindt ze overal terug
2
kenmerken bacteriën
geen/wel chloroplasten - eencellig - prokaryoten - auto- / hetertroof - celwand - celmembraan - geen celkern
3
methaanbacteriën
produceren methaan
4
halobacteriën
leven in extreem zoute omstandigheden
5
thermoacidofielen
leven in hete zwavelbronnen
6
extremofielen
organismen die in extreme omstandigheden kunnen overleven
7
samenstelling bacterie: cytoplasma
omgeven door een celmembraan met daaromheen een celwand
8
samenstelling bacterie: functie celwand
stevig + biedt een goede bescherming tegen veranderende omgevingsfactoren
9
celwand plantencel
cellulose
10
celwand schimmel
chitine
11
samenstelling bacterie: slijmkapsel (+ opmerking)
extra bescherming - om ergens aan vast te hechten + niet altijd aanwezig
12
voortbeweging bacterie
door pili of door flagel
13
pili ( - enkelvoud)
vele korte uitsteeksels waarmee de bacterie zich voortbeweegt - pilus
14
flagel
1 lang uitsteeksel waarmee de bacterie zich voortbeweegt
15
plasmide kenmerk
1 of meerdere
16
proces celsplitsing: 1
erfelijk materiaal wordt verdubbeld
17
proces celsplitsing: 2
insnoering van het celmembraan
18
proces celsplitsing: 3
ontstaan van 2 (genetisch identieke) dochtercellen
19
proces celsplitsing: 4
ongeslachtelijke / aseksuele voortplanting
20
groeisnelheid van een bacterie die zich 3 keer per uur deelt
3
21
populatiegroei: populatiecurve
lag-fase - logaritmische fase - stationaire fase - afstervingsfase
22
kenmerk logaritmische fase
het aantal verdubbelt zich elke generatietijd
23
kenmerk stationaire fase
er is een dynamisch evenwicht
24
afstervingsfase door bv.
teveel afvalstoffen
25
resistent (synoniem)
ongevoelig
26
bacteriële conjugatie met behulp van
pilus -> cytoplasmabrug
27
functie van bacteriële conjugatie
bacteriën kunnen resistent worden voor bacteriën + resistentie doorgeven aan andere bacteriën
28
proces bacteriële conjugatie: 1
cytoplasmabrug aanmaken
29
proces bacteriële conjugatie: 2
plasmide verdubbelen
30
proces bacteriële conjugatie: 3
overdracht DNA via cytoplasmabrug
31
proces bacteriële conjugatie: 4
ontvanger bevat nu ook resistentiegenen
32
samenstelling endospore
2 lagen celmembraan met daartussen een schors / cortex
33
doel van een endospore
bacterie kan moeilijke tijden overbruggen in een soort van slaaptoestand
34
endspore: omstandigheden terug gunstig
endospore kan terug uitgroeien tot een levende bacterie
35
kokken: vorm
bolvormig
36
bacillen: vorm
staafvormig
37
spirillen: vorm
spiraalvormig
38
vibrionen: vorm
kommavormig
39
soorten kokken
kokken - dikokken - streptokokken - staphylokokken
40
soorten bacillen
bacillen - dibacillen - streptobacillen
41
soorten spirillen
spirillen - dispirillen
42
soorten vibrionen
vibrionen
43
bacillen en dibacillen kenmerk
gezonde bacteriën voor de spijsvertering
44
streptobacillen kenmerk
kunnen geen endosporen aanmaken = makkelijker bestrijden
45
gramkleuring van bacteriën: 1
gekleurd met kristalviolet (paars)
46
gramkleuring van bacteriën: 2
ontkleurd met alcohol
47
gramkleuring van bacteriën: 3
nagekleurd met fuchsine (rood)
48
gramkleuring van bacteriën: 4 - paarse kleur
kristalviolet wordt niet weggewassen door alcohol: behouden dubbele kleuring
49
gramkleuring van bacteriën: paarse kleur = ... bacteriën
grampositieve
50
samenstelling grampositieve bacterie
binnenmenbraan + zeer dikke laag peptidoglycaan / mucopeptide
51
gramkleuring van bacteriën: 4 - rode kleur
verliezen kleur in alcoholbad: kleurt nadien rood door fuchine
52
gramkleuring van bacteriën: rode kleur = ... bacteriën
gramnegatieve
53
samenstelling gramnegatieve bacterie
binnenmembraan + zeer dunne laag peptidoglycaan / mucopeptide + aansluitend buitenmembraan
54
kenmerk gramnegatieve bacteriën
extra membraan buiten de celwand: kristalviolet kan hier niet aan hechten
55
omgevingsfactoren (8)
zuurstofgehalte - vochtigheid - temperatuur - zuurtegraad - voedingsstoffen - UV-straling - giftige stoffen - antibiotica
56
omgevingsfactoren: bacteriën kunnen zich enkel vermenigvuldigen als
de groeiconditiesof levensvoorwaarden gunstig zijn
57
darmflora
bacteriën die in onze darmen (anaerobe omgeving) voorkomen
58
essentieel bij de groei van veel bacteriën
water
59
voordelig voor de bewaartijd van producten
stoffen die water onttrekken uit voedingsmiddelen
60
ideale groeitemperatuur van de meeste bacteriën
20 - 40°C
61
ideale groeitemperatuur van bacteriën die ziektes verwekken bij mensen
35 - 40°C
62
ideale groeitemperatuur van bacteriën die voor problemen zorgen bij de oplsag van voedsel in de koelkast
5 - 20°C
63
bacteriën verkeren in 'rust' / groei en vermenigvuldiging valt stil (bij)
vriestemperatuur
64
ideal zuurtegraad voor de groei van bacteriëna
neutraal: pH 7
65
omgeving te zuur / basisch: bacteriën
gaan dood / groei valt stil
66
heterotrofe bacteriën
voeden zich met organische bestanddelen
67
nitrificerende bacteriën
halen energie uit stikstofverbindingen
68
fotoautotrofe bacteriën
doen aan fotosynthese -> bezitten het pigment chlorofyl
69
effect zonlicht op bacteriën
meestal een dodelijke werking -> bacteriën = gevoelig voor UV-stralen
70
gebruikt om ruimtes en water te ontsmetten
UV-lampen
71
opname giftstoffen door bacteriën
gaan dood / stoppen met vermenigvuldigen
72
gifstof voor bacterie voorbeeld
conserveermiddel
73
antibiotica bij een ... infectie
bacteriële
74
nadeel antibiotica
bacteriën kunnen resistent worden -> gebruik beperken
75
fermentatie = anaeroob / aeroob proces
anaeroob
76
fermentatie kenmerken
veel productiemethodes van voedingsmiddelen zijn hierop gebaseerd - gebruikt om de smaak van voedingsmiddelen te verbeteren
77
melkzuurbacteriën
produceren melkzuur + koolhydraten
78
melkzuur kenmerk - koolhydraten (KH) kenmerk
laat de pH dalen - zorgen voor een dikkere structuur
79
proces melkzuurbacteriën
glucose -> melkzuur + KH
80
oorzaken voedselbederf
groei van schadelijke bacteriën - prokaryoten produceren giftige stoffen tijdens hun metabolisme
81
endsporen? : vergiftiging - infectie
wel - geen
82
bescherming tegen bacterieel bederf (6)
steriliseren - UHT-serilisatie - invriezen - bestraling - pekelen - bewaarstoffen
83
sterilisatie met / door
verhitting met vuur / stoom - ultraviolet licht - chemische middelen
84
voordeel UHT in vergelijking met langzame sterilisatie bij gematigde temperatuur
bewaart de smaak beter
85
voordeel invriezen
bacteriën vermenigvuldigen zich minder snel wanneer de omgevingsfactoren niet optimaal zijn
86
kenmerk levensmiddelen bewaard bij -18°C
blijven maanden goed
87
bestraling: soorten - nadeel andere methodes
gamma- en röntgenstraling - bederven de smaak
88
bewaarstoffen
stoffen die de houdbaarheid van levensmiddelen vergroten door ze te beschermen tegen bedref door micro-organismen
89
methanogene archaea (waar)
spijsverteringsstelsel van grazers
90
stof die vrijkomt bij de vertering
CH4 = methaangas
91
kenmerk cyanobacteriën
1e schakel in de voedselketen
92
... relatie tussen mensen en bacteriën
symbiotische
93
geen vaccins tegen infecties door archaea:
geen ziekteverwekkers
94
biotechnologie
het gebruik van levende organismen, cellen of biologische processen om producten te maken of verbeteren
95
functie genetisch modificeren
metabolisme aanpassen zodat bacteriën de gewenste stoffen produceren
96
3 sectoren die gebruik maken van genetische modificatie
geneeskunde - industrie - biologische waterzuivering
97
genetische modificatie: geneeskunde
insulineproductie
98
genetische modificatie: industrie
aanmaak van duurzamen bouwmaterialen
99
genetische modificatie: biologische waterzuivering
plastic afval afbreken
100
2 afweermechanismen
algemeen immuunsysteem - specifiek immuunsysteem
101
algemeen immuunsysteem: voorbeelden
huid: bestaat uit cellen = barrière - neusharen: stof tegenhouden - traanvocht: bevat bacterie tegenhoudende enzymen
102
fagocytose: 1
fagocyt hecht zich aan
103
fagocytose: 2
fagocyt sluit zich rond de lichaamsvreemde stof
104
fagocytose: 3
fagocyt doodt de indringer
105
fagocytose: 4
fagocyt verteert / breekt de indringer af
106
kenmerk antistof
elke antistof is specifiek voor 1 antigeen
107
antistoffen zetten zich op antigenen
antigenen worden beter opgemerkt door de fagocyt en kunnen de antigenen gaan verteren
108
kenmerk 2e infectie
sneller antistofen aanmaken = niet ziek
109
kunstmatige bestrijding (4)
vaccinatie - ontsmetten - antibiotica - serumtherapie
110
vaccinatie kenmerken
maakt het lichaam immuun - preventief midel (vooraf gegeven)
111
ontsmetten
bacteriën doden
112
antibiotica kenmerk
giftig voor bacteriën
113
nadeel serumtherapie
niet immuun doordat het lichaam de stoffen niet zelf aanmaakt en dus niet onthoudt = tijdelijk
114
griepspuitje ieder jaar
antigenen veranderen / evolueren: antistoffen moeten worden aangepast
Study all 114 cards for free