1voorkomen van bacteriën
je vindt ze overal terug
2kenmerken bacteriën
geen/wel chloroplasten - eencellig - prokaryoten - auto- / hetertroof - celwand - celmembraan - geen celkern
3methaanbacteriën
produceren methaan
4halobacteriën
leven in extreem zoute omstandigheden
5thermoacidofielen
leven in hete zwavelbronnen
6extremofielen
organismen die in extreme omstandigheden kunnen overleven
7samenstelling bacterie: cytoplasma
omgeven door een celmembraan met daaromheen een celwand
8samenstelling bacterie: functie celwand
stevig + biedt een goede bescherming tegen veranderende omgevingsfactoren
9celwand plantencel
cellulose
10celwand schimmel
chitine
11samenstelling bacterie: slijmkapsel (+ opmerking)
extra bescherming - om ergens aan vast te hechten + niet altijd aanwezig
12voortbeweging bacterie
door pili of door flagel
13pili ( - enkelvoud)
vele korte uitsteeksels waarmee de bacterie zich voortbeweegt - pilus
14flagel
1 lang uitsteeksel waarmee de bacterie zich voortbeweegt
15plasmide kenmerk
1 of meerdere
16proces celsplitsing: 1
erfelijk materiaal wordt verdubbeld
17proces celsplitsing: 2
insnoering van het celmembraan
18proces celsplitsing: 3
ontstaan van 2 (genetisch identieke) dochtercellen
19proces celsplitsing: 4
ongeslachtelijke / aseksuele voortplanting
20groeisnelheid van een bacterie die zich 3 keer per uur deelt
3
21populatiegroei: populatiecurve
lag-fase - logaritmische fase - stationaire fase - afstervingsfase
22kenmerk logaritmische fase
het aantal verdubbelt zich elke generatietijd
23kenmerk stationaire fase
er is een dynamisch evenwicht
24afstervingsfase door bv.
teveel afvalstoffen
25resistent (synoniem)
ongevoelig
26bacteriële conjugatie met behulp van
pilus -> cytoplasmabrug
27functie van bacteriële conjugatie
bacteriën kunnen resistent worden voor bacteriën + resistentie doorgeven aan andere bacteriën
28proces bacteriële conjugatie: 1
cytoplasmabrug aanmaken
29proces bacteriële conjugatie: 2
plasmide verdubbelen
30proces bacteriële conjugatie: 3
overdracht DNA via cytoplasmabrug
31proces bacteriële conjugatie: 4
ontvanger bevat nu ook resistentiegenen
32samenstelling endospore
2 lagen celmembraan met daartussen een schors / cortex
33doel van een endospore
bacterie kan moeilijke tijden overbruggen in een soort van slaaptoestand
34endspore: omstandigheden terug gunstig
endospore kan terug uitgroeien tot een levende bacterie
36bacillen: vorm
staafvormig
37spirillen: vorm
spiraalvormig
38vibrionen: vorm
kommavormig
39soorten kokken
kokken - dikokken - streptokokken - staphylokokken
40soorten bacillen
bacillen - dibacillen - streptobacillen
41soorten spirillen
spirillen - dispirillen
42soorten vibrionen
vibrionen
43bacillen en dibacillen kenmerk
gezonde bacteriën voor de spijsvertering
44streptobacillen kenmerk
kunnen geen endosporen aanmaken = makkelijker bestrijden
45gramkleuring van bacteriën: 1
gekleurd met kristalviolet (paars)
46gramkleuring van bacteriën: 2
ontkleurd met alcohol
47gramkleuring van bacteriën: 3
nagekleurd met fuchsine (rood)
48gramkleuring van bacteriën: 4 - paarse kleur
kristalviolet wordt niet weggewassen door alcohol: behouden dubbele kleuring
49gramkleuring van bacteriën: paarse kleur = ... bacteriën
grampositieve
50samenstelling grampositieve bacterie
binnenmenbraan + zeer dikke laag peptidoglycaan / mucopeptide
51gramkleuring van bacteriën: 4 - rode kleur
verliezen kleur in alcoholbad: kleurt nadien rood door fuchine
52gramkleuring van bacteriën: rode kleur = ... bacteriën
gramnegatieve
53samenstelling gramnegatieve bacterie
binnenmembraan + zeer dunne laag peptidoglycaan / mucopeptide + aansluitend buitenmembraan
54kenmerk gramnegatieve bacteriën
extra membraan buiten de celwand: kristalviolet kan hier niet aan hechten
55omgevingsfactoren (8)
zuurstofgehalte - vochtigheid - temperatuur - zuurtegraad - voedingsstoffen - UV-straling - giftige stoffen - antibiotica
56omgevingsfactoren: bacteriën kunnen zich enkel vermenigvuldigen als
de groeiconditiesof levensvoorwaarden gunstig zijn
57darmflora
bacteriën die in onze darmen (anaerobe omgeving) voorkomen
58essentieel bij de groei van veel bacteriën
water
59voordelig voor de bewaartijd van producten
stoffen die water onttrekken uit voedingsmiddelen
60ideale groeitemperatuur van de meeste bacteriën
20 - 40°C
61ideale groeitemperatuur van bacteriën die ziektes verwekken bij mensen
35 - 40°C
62ideale groeitemperatuur van bacteriën die voor problemen zorgen bij de oplsag van voedsel in de koelkast
5 - 20°C
63bacteriën verkeren in 'rust' / groei en vermenigvuldiging valt stil (bij)
vriestemperatuur
64ideal zuurtegraad voor de groei van bacteriëna
neutraal: pH 7
65omgeving te zuur / basisch: bacteriën
gaan dood / groei valt stil
66heterotrofe bacteriën
voeden zich met organische bestanddelen
67nitrificerende bacteriën
halen energie uit stikstofverbindingen
68fotoautotrofe bacteriën
doen aan fotosynthese -> bezitten het pigment chlorofyl
69effect zonlicht op bacteriën
meestal een dodelijke werking -> bacteriën = gevoelig voor UV-stralen
70gebruikt om ruimtes en water te ontsmetten
UV-lampen
71opname giftstoffen door bacteriën
gaan dood / stoppen met vermenigvuldigen
72gifstof voor bacterie voorbeeld
conserveermiddel
73antibiotica bij een ... infectie
bacteriële
74nadeel antibiotica
bacteriën kunnen resistent worden -> gebruik beperken
75fermentatie = anaeroob / aeroob proces
anaeroob
76fermentatie kenmerken
veel productiemethodes van voedingsmiddelen zijn hierop gebaseerd - gebruikt om de smaak van voedingsmiddelen te verbeteren
77melkzuurbacteriën
produceren melkzuur + koolhydraten
78melkzuur kenmerk - koolhydraten (KH) kenmerk
laat de pH dalen - zorgen voor een dikkere structuur
79proces melkzuurbacteriën
glucose -> melkzuur + KH
80oorzaken voedselbederf
groei van schadelijke bacteriën - prokaryoten produceren giftige stoffen tijdens hun metabolisme
81endsporen? : vergiftiging - infectie
wel - geen
82bescherming tegen bacterieel bederf (6)
steriliseren - UHT-serilisatie - invriezen - bestraling - pekelen - bewaarstoffen
83sterilisatie met / door
verhitting met vuur / stoom - ultraviolet licht - chemische middelen
84voordeel UHT in vergelijking met langzame sterilisatie bij gematigde temperatuur
bewaart de smaak beter
85voordeel invriezen
bacteriën vermenigvuldigen zich minder snel wanneer de omgevingsfactoren niet optimaal zijn
86kenmerk levensmiddelen bewaard bij -18°C
blijven maanden goed
87bestraling: soorten - nadeel andere methodes
gamma- en röntgenstraling - bederven de smaak
88bewaarstoffen
stoffen die de houdbaarheid van levensmiddelen vergroten door ze te beschermen tegen bedref door micro-organismen
89methanogene archaea (waar)
spijsverteringsstelsel van grazers
90stof die vrijkomt bij de vertering
CH4 = methaangas
91kenmerk cyanobacteriën
1e schakel in de voedselketen
92... relatie tussen mensen en bacteriën
symbiotische
93geen vaccins tegen infecties door archaea:
geen ziekteverwekkers
94biotechnologie
het gebruik van levende organismen, cellen of biologische processen om producten te maken of verbeteren
95functie genetisch modificeren
metabolisme aanpassen zodat bacteriën de gewenste stoffen produceren
963 sectoren die gebruik maken van genetische modificatie
geneeskunde - industrie - biologische waterzuivering
97genetische modificatie: geneeskunde
insulineproductie
98genetische modificatie: industrie
aanmaak van duurzamen bouwmaterialen
99genetische modificatie: biologische waterzuivering
plastic afval afbreken
1002 afweermechanismen
algemeen immuunsysteem - specifiek immuunsysteem
101algemeen immuunsysteem: voorbeelden
huid: bestaat uit cellen = barrière - neusharen: stof tegenhouden - traanvocht: bevat bacterie tegenhoudende enzymen
102fagocytose: 1
fagocyt hecht zich aan
103fagocytose: 2
fagocyt sluit zich rond de lichaamsvreemde stof
104fagocytose: 3
fagocyt doodt de indringer
105fagocytose: 4
fagocyt verteert / breekt de indringer af
106kenmerk antistof
elke antistof is specifiek voor 1 antigeen
107antistoffen zetten zich op antigenen
antigenen worden beter opgemerkt door de fagocyt en kunnen de antigenen gaan verteren
108kenmerk 2e infectie
sneller antistofen aanmaken = niet ziek
109kunstmatige bestrijding (4)
vaccinatie - ontsmetten - antibiotica - serumtherapie
110vaccinatie kenmerken
maakt het lichaam immuun - preventief midel (vooraf gegeven)
111ontsmetten
bacteriën doden
112antibiotica kenmerk
giftig voor bacteriën
113nadeel serumtherapie
niet immuun doordat het lichaam de stoffen niet zelf aanmaakt en dus niet onthoudt = tijdelijk
114griepspuitje ieder jaar
antigenen veranderen / evolueren: antistoffen moeten worden aangepast