WW: Audire, capere,...

64 flashcardsby Asteroïd
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
audīre (456)
horen; luisteren naar
2
circumvenīre (480)
omsingelen
3
convenīre (537)
samenkomen; overeenkomen
4
impedīre (525)
hinderen; verhinderen
5
invenīre (510)
vinden; ontdekken
6
mūnīre (465)
bouwen; versterken; beschermen
7
pervenīre (490)
bereiken
8
reperīre (402)
vinden; te weten komen
9
scīre (551)
weten
10
sentīre (488)
voelen; merken; menen
11
venīre (573)
komen
12
experīrī (474)
op de proef stellen; ondervinden
13
orīrī (441)
ontstaan; opkomen
14
potīrī (400)
+ abl. bemachtigen; beheersen
15
accipere (428)
ontvangen; vernemen
16
adspicere (501)
aankijken
17
afficere (419)
treffen
18
capere (408)
nemen; krijgen
19
cōnficere (430)
afmaken
20
conicere (477)
werpen
21
cupere (540)
verlangen
22
ēripere (532)
wegrukken
23
excipere (383)
uitnemen; opvangen
24
facere (461)
maken; doen
25
fugere (486)
vluchten
26
iacere (437)
werpen
27
incipere (553)
beginnen
28
interficere (605)
doden
29
obicere (390)
stellen tegenover; verwijten
30
rapere (505)
grijpen; roven
31
recipere (482)
ontvangen
32
ēgredī (585)
buitengaan
33
morī (507)
sterven
34
patī (531)
verdragen
35
prōgredī (599)
verdergaan
36
adesse (570)
+dat. aanwezig zijn; helpen
37
adīre (391)
gaan naar; bezoeken
38
afferre (483)
brengen (naar)
39
auferre (420)
wegnemen
40
cōnferre (427)
bijeenbrengen; vergelijken
41
dēesse (576)
ontbreken; in de steek laten
42
differre (578)
verspreiden; uitstellen; verschillen
43
esse (388)
zijn; bestaan
44
ferre (569)
dragen; brengen; meenemen
45
fierī (554)
worden; gebeuren; gemaakt worden
46
inīre (550)
binnengaan; beginnen
47
īre (435)
gaan
48
mālle (439)
liever willen
49
offerre (588)
aanbieden
50
nōlle (511)
niet willen
51
perferre (513)
overbrengen; verdragen
52
perīre (392)
ten onder gaan
53
posse (431)
kunnen
54
praeesse (414)
+dat. aan het hoofd staan van
55
referre (509)
terugbrengen; rapporteren
56
subīre (421)
ondergaan; bestijgen; naderen
57
superesse (495)
overblijven
58
trānsīre (568)
oversteken
59
velle (445)
willen
60
ait (449)
zegt hij/zij
61
coepisse (522)
begonnen zijn
62
inquit (602)
zegt hij/zij
63
meminisse (404)
+gen. zich herinneren
64
nōvisse (444)
kennen
Study all 64 cards for free