1λαμβάνειν
nemen; krijgen
2λανθάνειν
verborgen zijn voor; ontgaan
4λείπειν
verlaten; achterlaten
5λογίζεσθαι
berekenen; overwegen
8μάχεσθαι
strijden; vechten
9μέλλειν
dralen; van plan zijn; op het punt staan te (+ inf.)
10μένειν
blijven; verblijven
11μεταβάλλειν
(zich) veranderen
12μετέχειν
deelhebben aan (+ gen.)
13μιμνῄσκειν
doen herinneren aan (+ gen.)
14νέμειν
uitdelen; verdelen
15νομίζειν
menen; beschouwen als
18ὀνομάζειν
noemen; heten (pass.)
19ὀργίζεσθαι
boos worden op (+ dat.)
21παραγίγνεσθαι
deelnemen aan; komen bij (+ dat.)
22παρασκευάζειν
voorbereiden; klaarmaken
23παρασκευάζεσθαι
zich voorbereiden; zich klaarmaken
24παρέχειν
geven; verschaffen
25πάσχειν
ondergaan; lijden
26παύειν
doen ophouden; doen stoppen
27παύεσθαι
ophouden; stoppen
29πείθεσθαι
geloven; gehoorzamen
33πιστεύειν
vertrouwen op; geloven (+ dat.)
34πλήττειν
slaan; treffen
36πορεύεσθαι
reizen; oprukken
37πράττειν
verrichten; tot stand brengen
38πρέπειν
passen; betamen
39προσαγορεύειν
begroeten; noemen
41πυνθάνεσθαι
vernemen; navraag doen
43σκέπτεσθαι
(nauwkeurig) bekijken
44σπουδάζειν
zich toeleggen op
46στρατεύειν
een veldtocht ondernemen
47στρατεύεσθαι
soldaat zijn
50συμβουλεὐειν
raad geven; adviseren
51συμφέρειν
bijeenbrengen; nuttig zijn; gebeuren
53ταράττειν
in verwarring brengen
54τάττειν
opstellen; ordenen; bevelen
55τεύχειν
vervaardigen; ontwikkelen; maken
56τίκτειν
ter wereld brengen; voortbrengen
58τρέφειν
voeden; opvoeden
60τυγχάνειν
ontmoeten; verkrijgen; toevallig zijn (+ gen.)
61ὑπερβάλλειν
overtreffen
64φαίνεσθαι
schijnen (+ inf.); blijken (+ part.)
65φέρειν
dragen; verdragen
67φθέγγεσθαι
spreken; een geluid maken
68φράζειν
tonen; verklaren
71φύεσθαι
ontstaan; groeien
72φυλάττειν
waken; bewaken
73χαίρειν
zich verheugen over; blij zijn met (+ dat.)
74χαρίζεσθαι
een genoegen doen