WW Grieks-2

76 flashcardsby Asteroïd
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
λαμβάνειν
nemen; krijgen
2
λανθάνειν
verborgen zijn voor; ontgaan
3
λέγειν
zeggen; spreken
4
λείπειν
verlaten; achterlaten
5
λογίζεσθαι
berekenen; overwegen
6
λύειν
losmaken
7
μανθάνειν
leren
8
μάχεσθαι
strijden; vechten
9
μέλλειν
dralen; van plan zijn; op het punt staan te (+ inf.)
10
μένειν
blijven; verblijven
11
μεταβάλλειν
(zich) veranderen
12
μετέχειν
deelhebben aan (+ gen.)
13
μιμνῄσκειν
doen herinneren aan (+ gen.)
14
νέμειν
uitdelen; verdelen
15
νομίζειν
menen; beschouwen als
16
οἴεσθαι
menen; denken
17
οἴχεσθαι
weggaan
18
ὀνομάζειν
noemen; heten (pass.)
19
ὀργίζεσθαι
boos worden op (+ dat.)
20
παιδεύειν
opvoeden
21
παραγίγνεσθαι
deelnemen aan; komen bij (+ dat.)
22
παρασκευάζειν
voorbereiden; klaarmaken
23
παρασκευάζεσθαι
zich voorbereiden; zich klaarmaken
24
παρέχειν
geven; verschaffen
25
πάσχειν
ondergaan; lijden
26
παύειν
doen ophouden; doen stoppen
27
παύεσθαι
ophouden; stoppen
28
πείθειν
overtuigen
29
πείθεσθαι
geloven; gehoorzamen
30
πέμπειν
zenden
31
πίνειν
drinken
32
πίπτειν
vallen
33
πιστεύειν
vertrouwen op; geloven (+ dat.)
34
πλήττειν
slaan; treffen
35
πολιτεύειν
besturen
36
πορεύεσθαι
reizen; oprukken
37
πράττειν
verrichten; tot stand brengen
38
πρέπειν
passen; betamen
39
προσαγορεύειν
begroeten; noemen
40
προσήκειν
passen (te)
41
πυνθάνεσθαι
vernemen; navraag doen
42
σημαίνειν
betekenen
43
σκέπτεσθαι
(nauwkeurig) bekijken
44
σπουδάζειν
zich toeleggen op
45
στέλλειν
zenden
46
στρατεύειν
een veldtocht ondernemen
47
στρατεύεσθαι
soldaat zijn
48
συλλέγειν
verzamelen
49
συμβαίνειν
gebeuren
50
συμβουλεὐειν
raad geven; adviseren
51
συμφέρειν
bijeenbrengen; nuttig zijn; gebeuren
52
σῴζειν
redden; bewaren
53
ταράττειν
in verwarring brengen
54
τάττειν
opstellen; ordenen; bevelen
55
τεύχειν
vervaardigen; ontwikkelen; maken
56
τίκτειν
ter wereld brengen; voortbrengen
57
τρέπειν
wenden; keren
58
τρέφειν
voeden; opvoeden
59
τρέχειν
lopen
60
τυγχάνειν
ontmoeten; verkrijgen; toevallig zijn (+ gen.)
61
ὑπερβάλλειν
overtreffen
62
ὑπομένειν
afwachten
63
φαίνειν
laten zien
64
φαίνεσθαι
schijnen (+ inf.); blijken (+ part.)
65
φέρειν
dragen; verdragen
66
φεύγειν
vluchten
67
φθέγγεσθαι
spreken; een geluid maken
68
φράζειν
tonen; verklaren
69
φροντίζειν
nadenken
70
φύειν
doen ontstaan
71
φύεσθαι
ontstaan; groeien
72
φυλάττειν
waken; bewaken
73
χαίρειν
zich verheugen over; blij zijn met (+ dat.)
74
χαρίζεσθαι
een genoegen doen
75
ψεύδειν
bedriegen
76
ψεύδεσθαι
liegen
Study all 76 cards for free