τιμᾶν; ζῆν; partikels en ontkenningen

91 flashcardsby Asteroïd
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
αἰτιᾶσθαι -άομαι
beschuldigen
2
ἐξαπατᾶν -άω
bedriegen; verleiden
3
βοᾶν -άω
roepen; schreeuwen
4
ἐᾶν -άω
laten; toelaten
5
ἐρωτᾶν -άω
vragen; ondervragen
6
ζῆν -ήω
leven
7
θεᾶσθαι -άομαι
bekijken; aanschouwen
8
κτᾶσθαι -άομαι
krijgen; verkrijgen
9
νικᾶν -άω
overwinnen
10
ὁρᾶν -άω ao. εἶδον
zien
11
ὁρμᾶν -άω
(zich) in beweging zetten
12
πειρᾶσθαι -άομαι
proberen
13
τελευτᾶν -άω
eindigen; beëindigen; sterven
14
τιμᾶν -άω
eren
15
τολμᾶν -άω
durven
16
χρῆσθαι -ήομαι
gebruiken; omgaan met (+ dat.)
17
ἀγνοεῖν -έω
niet weten; niet begrijpen
18
ἀδικεῖν -έω
onrechtvaardig (be)handelen
19
αἱρεῖν -έω ao. εἷλον
grijpen
20
αἱρεῖσθαι -έομαι ao. εἱλόμην
kiezen
21
αἰτεῖν -έω
vragen (om te krijgen)
22
ἀκολουθεῖν -έω
volgen (+ dat.)
23
ἀμελεῖν -έω
verwaarlozen (+ gen.)
24
ἀπορεῖν -έω
ten einde raad zijn
25
ἀποστερεῖν -έω
beroven van (+ gen.)
26
ἀσκεῖν -ἐω
bewerken; beoefenen
27
ἀφαιρεῖν -έω
wegnemen
28
(ἀφ)ἱκνεῖσθαι -έομαι ao. άφικόμην
aankomen
29
βοηθεῖν -έω
helpen (+ dat.)
30
γαμεῖν -έω
huwen
31
δεῖν; δεῖ
nodig zijn
32
δεῖσθαι -έομαι ao. έδεήθην
missen; nodig hebben; vragen om (+ gen.)
33
διανοεῖσθαι -έομαι
overwegen; overdenken
34
διατελεῖν -έω
voltooien
35
δοκεῖν δοκεῖ
wenselijk lijken; vinden; besluiten (+ dat.)
36
δοκεῖν -έω
schijnen; de indruk wekken; menen
37
ἐνθυμεῖσθαι -έομαι
overdenken
38
ἐπιθυμεῖν -έω
begeren; verlangen naar (+ gen.)
39
ἐπιμελεῖσθαι -έομαι
bezorgd zijn om (+ gen.)
40
εὐτυχεῖν -έω
succeseluk hebben
41
ζητεῖν -έω
zoeken; onderzoeken; vragen
42
ἡγεῖσθαι -έομαι
aan het hoofd staan van (+ gen.); menen
43
θεῖν -έω
lopen
44
καλεῖν -έω ao. ἐκάλεσα
noemen; roepen; uitnodigen
45
κατηγορεῖν -έω
beschuldigen van (+ gen.)
46
κινεῖν -έω
bewegen
47
κρατεῖν -ἐω
beheersen; overwinnen (+ gen.)
48
μιμεῖσθαι -έομαι
nabootsen
49
μισεῖν -έω
haten; verafschuwen
50
νοεῖν -έω
opmerken; overwegen
51
οἰκεῖν -έω
(be)wonen
52
ὁμολογεῖν -έω
het eens zijn met (+ gen.)
53
ὀφειλεῖν -έω
verschuldigd zijn; verplicht zijn
54
παρακαλεῖν -έω
te hulp roepen
55
πλεῖν -έω
varen
56
ποιεῖν -έω
doen; maken
57
πολεμεῖν -έω
oorlog voeren
58
πολιορκεῖν -έω
belegeren
59
πονεῖν -έω
zwoegen
60
ῥεῖν -έω
vloeien; stromen
61
σκοπεῖν -έω
onderzoeken
62
τιμωρεῖν -έω
wreken; straffen
63
τιμωρεῖσθαι -έομαι
zich wreken; straffen
64
ὑπισχνεῖσθαι -έομαι ao. ὑπεσχόμην
beloven
65
φθονεῖν -έω
benijden (+ dat.)
66
φιλεῖν -έω
beminnen; houden van
67
φοβεῖν -έω
schrik aanjagen
68
φοβεῖσθαι -έομαι
bang zijn
69
φρονεῖν -έω
verstandig zijn
70
φωνεῖν -έω
(uit)spreken
71
χωρεῖν -έω
gaan
72
ὠφελεῖν -έω
helpen
73
ἄν prtkl.
geeft een modaliteit aan
+ conj.: eventualis
+ opt.: potentialis
+ ind.: irrealis
74
ἆρα prtkl.
duidt een vraag aan (onvertaald)
75
γε prtkl.
legt nadruk op woorden errond
76
γοῦν prtkl.
legt nadruk op woorden errond
77
δή prtkl.
(ja) zeker; inderdaad
78
εἴθε prtkl.
wijst op vervulbare wens (+ opt.)
79
ἤ prtkl.
dan (na comp.)
80
ἦ prtkl.
duidt een vraag aan (onvertaald)
81
καίτοι prtkl.
hoewel
82
μά prtkl.
wordt gebruikt in een uitroep: bij…
83
ναί prtkl.
ja
84
νή prtkl.
wordt gebruikt in een uitroep: bij…
85
οἴμοι prtkl.
wee mij
86
περ prtkl.
legt nadruk op woorden errond
87
ὦ prtkl.
wordt gebruikt bij de aanspreking
88
οὐ ontkenning
niet
89
οὐκ ontkenning
niet
90
οὐχ ontkenning
niet
91
μή ontkenning
niet
Study all 91 cards for free