1αἰτιᾶσθαι -άομαι
beschuldigen
2ἐξαπατᾶν -άω
bedriegen; verleiden
3βοᾶν -άω
roepen; schreeuwen
5ἐρωτᾶν -άω
vragen; ondervragen
7θεᾶσθαι -άομαι
bekijken; aanschouwen
8κτᾶσθαι -άομαι
krijgen; verkrijgen
10ὁρᾶν -άω ao. εἶδον
zien
11ὁρμᾶν -άω
(zich) in beweging zetten
12πειρᾶσθαι -άομαι
proberen
13τελευτᾶν -άω
eindigen; beëindigen; sterven
16χρῆσθαι -ήομαι
gebruiken; omgaan met (+ dat.)
17ἀγνοεῖν -έω
niet weten; niet begrijpen
18ἀδικεῖν -έω
onrechtvaardig (be)handelen
19αἱρεῖν -έω ao. εἷλον
grijpen
20αἱρεῖσθαι -έομαι ao. εἱλόμην
kiezen
21αἰτεῖν -έω
vragen (om te krijgen)
22ἀκολουθεῖν -έω
volgen (+ dat.)
23ἀμελεῖν -έω
verwaarlozen (+ gen.)
24ἀπορεῖν -έω
ten einde raad zijn
25ἀποστερεῖν -έω
beroven van (+ gen.)
26ἀσκεῖν -ἐω
bewerken; beoefenen
28(ἀφ)ἱκνεῖσθαι -έομαι ao. άφικόμην
aankomen
29βοηθεῖν -έω
helpen (+ dat.)
32δεῖσθαι -έομαι ao. έδεήθην
missen; nodig hebben; vragen om (+ gen.)
33διανοεῖσθαι -έομαι
overwegen; overdenken
34διατελεῖν -έω
voltooien
35δοκεῖν δοκεῖ
wenselijk lijken; vinden; besluiten (+ dat.)
36δοκεῖν -έω
schijnen; de indruk wekken; menen
37ἐνθυμεῖσθαι -έομαι
overdenken
38ἐπιθυμεῖν -έω
begeren; verlangen naar (+ gen.)
39ἐπιμελεῖσθαι -έομαι
bezorgd zijn om (+ gen.)
40εὐτυχεῖν -έω
succeseluk hebben
41ζητεῖν -έω
zoeken; onderzoeken; vragen
42ἡγεῖσθαι -έομαι
aan het hoofd staan van (+ gen.); menen
44καλεῖν -έω ao. ἐκάλεσα
noemen; roepen; uitnodigen
45κατηγορεῖν -έω
beschuldigen van (+ gen.)
47κρατεῖν -ἐω
beheersen; overwinnen (+ gen.)
48μιμεῖσθαι -έομαι
nabootsen
49μισεῖν -έω
haten; verafschuwen
50νοεῖν -έω
opmerken; overwegen
52ὁμολογεῖν -έω
het eens zijn met (+ gen.)
53ὀφειλεῖν -έω
verschuldigd zijn; verplicht zijn
54παρακαλεῖν -έω
te hulp roepen
57πολεμεῖν -έω
oorlog voeren
58πολιορκεῖν -έω
belegeren
60ῥεῖν -έω
vloeien; stromen
61σκοπεῖν -έω
onderzoeken
62τιμωρεῖν -έω
wreken; straffen
63τιμωρεῖσθαι -έομαι
zich wreken; straffen
64ὑπισχνεῖσθαι -έομαι ao. ὑπεσχόμην
beloven
65φθονεῖν -έω
benijden (+ dat.)
66φιλεῖν -έω
beminnen; houden van
67φοβεῖν -έω
schrik aanjagen
68φοβεῖσθαι -έομαι
bang zijn
69φρονεῖν -έω
verstandig zijn
70φωνεῖν -έω
(uit)spreken
73ἄν prtkl.
geeft een modaliteit aan
+ conj.: eventualis
+ opt.: potentialis
+ ind.: irrealis
74ἆρα prtkl.
duidt een vraag aan (onvertaald)
75γε prtkl.
legt nadruk op woorden errond
76γοῦν prtkl.
legt nadruk op woorden errond
77δή prtkl.
(ja) zeker; inderdaad
78εἴθε prtkl.
wijst op vervulbare wens (+ opt.)
79ἤ prtkl.
dan (na comp.)
80ἦ prtkl.
duidt een vraag aan (onvertaald)
82μά prtkl.
wordt gebruikt in een uitroep: bij…
84νή prtkl.
wordt gebruikt in een uitroep: bij…
86περ prtkl.
legt nadruk op woorden errond
87ὦ prtkl.
wordt gebruikt bij de aanspreking