1αἰτία
de oorzaak; de schuld
3ἀπορία
de moeilijke situatie; het probleem
4βία
de kracht; het geweld
5διάνοια
het verstand; de gedachte
6ἐκκλησία
de (volks)vergadering
12ἰδέα
de aanblik; het wezen
13μοῖρα
het deel; het lot
15οὐσία
het vermogen; de aard
16πολιτεία
de staat; het bestuur
17φιλία
de vriendschap; de liefde
19δεσπότης
de heer; de meester
21κριτής
de rechter; de scheidsrechter
30ζῷον
het (levend) wezen; het dier
32μέγαρον
de kamer; het huis (mv.)
33ὅπλον
het gereedschap; het wapen (mv.)
35στάδιον
het stadion (ca. 180 m)
38χωρίον
de plaats; de ruimte
40δεινός
verschrikkelijk; ontzagwekkend
42δυνατός
machtig; mogelijk
43ἔρημος
eenzaam; verlaten
45ἕτοιμος
bereid te (+ inf.)
47ἱκανός
voldoende; in staat te (+ inf.)
48ἴσος
gelijkend op; gelijk aan (+ dat.)
52κοινός
gemeenschappelijk
53λοιπός
overig; overblijvend
54μέσος
in het midden van; middelste
60πιστός
trouw; betrouwbaar
65χαλεπός
moeilijk; lastig
71συμφορά
de gebeurtenis; de ramp