1subire
-eo (subii, subitum) ondergaan; bestijgen; naderen
2uti
-or +abl. (usus sum) gebruiken; omgaan met
3cogere
-o (coegi, coactum) bijeenbrengen; dwingen
4permittere
-o (permisi, permissum) toestaan; toevertrouwen
5petere
-o (petivi, petitum) gaan naar; aanvallen; nastreven; vragen
6iungere
-o (iunxi, iunctum) verbinden
7conferre
-fero (contuli, collatum) bijeenbrengen; vergelijken
8accipere
-io (accepi, acceptum) ontvangen; vernemen
10conficere
-io (confeci, confectum) afmaken
11posse
-sum (potui) kunnen
12praebere
-eo aanbieden; tonen
13ostendere
-o (ostendi, ostentum) tonen
14superare
-o overwinnen; overblijven
16tum of tunc
op dat moment; dan
24tantum
zoveel; alleen maar