1imperare
-o bevelen; opeisen
3capere
-io cepi, captum nemen; krijgen
4nasci
-or natus sum geboren worden
5dare
-o dedi, datum geven
6patere
-eo openstaan; duidelijk zijn
7mandare
-o toevertrouwen; opdragen
8respondere
-eo respondi, responsum antwoorden
9praeesse
-sum +dat. praefui aan het hoofd staan van
10legere
-o legi, lectum lezen; kiezen; verzamelen
11poscere
-o poposci eisen
13gerere
-o gessi, gestum dragen; voeren
14afficere
-io affeci, affectum treffen
15auferre
-fero abstuli, ablatum wegnemen
21quidem
weliswaar; tenminste; meer bepaald
25contra
ertegenover; anderzijds priusquam(ondersch. voegw.) voordat
26quoniam
(ondersch. voegw.) aangezien
27quin
(ondersch. voegw.) dat; dat niet
28quasi
(ondersch. voegw.) alsof
29aut
(nevensch. voegw.) of
30at
(nevensch. voegw.) maar