3is, ea, id (376)
hij; zij; het
7hic, haec, hoc (367)
deze, dit
8iste, ista, istud (364)
die; dat
9ille, illa, illud (368)
die, dat
10is, ea, id (376)
die, dat
11īdem, eadem, idem (371)
dezelfde; hetzelfde
12ipse, ipsa, ipsum (358)
zelf; precies
13quī(s), quae, quid/quod (360)
wie, wat; welke
14quī, quae, quod (363)
die, dat
15quicumque, quaecumque, quodcumque (374)
(z.) al wie, al wat (b.) elke… die, elk.. dat
16quisquis, quidquid (370)
al wie; al wat
17(āli)quis, (āli)quae, (āli)quid/(āli)quod (369)
(z.) iemand, iets (b.) een; (mv.) sommige(n)
18quīdam, quaedam, quiddam/quoddam (366)
(z.) iemand, iets (b.) een; (mv.) sommige(n)
19quisquam, quicquam (359)
iemand, iets
22quisque, quidque/quodque (372)
(z.) ieder, iedereen (b.) iedere, elke
24prīmus (609)
eerste; het eerste van
26secundus (614)
tweede; gunstig
32ad (625)
(+ acc.) naar; tot; bij
33ante (627)
(+ acc.) voor
34apud (633)
(+ acc.) bij
35circum (631)
(+ acc.) rondom
36contrā (616)
(+ acc.) tegenover
37inter (621)
(+ acc.) tussen; tijdens
38intrā (635)
(+ acc.) binnen
39ob (622)
(+ acc.) tegenover; wegens
40per (620)
(+ acc.) door; gedurende
41post (632)
(+ acc.) achter; na
42praeter (630)
(+ acc.) voorbij; behalve
43propter (634)
(+ acc.) wegens
44super (619)
(+ acc.) boven
45trāns (637)
(+ acc.) over
46ā / ab (617)
(+ abl.) van; door
48dē (636)
(+ abl.) van; over
49ē / ex (624)
(+ abl.) uit; vanaf
50prō (618)
(+ abl.) voor; in plaats van
51sine (628)
(+ abl.) zonder
52in (626)
(+ acc.) naar; tegen (+ abl.) in; op
53sub (623)
(+ acc.) tot onder; omstreeks (+ abl.) onder; omstreeks
54cum + ind. (740)
toen; wanneer
55cum + conj. (740)
toen; omdat; hoewel
56dum (729)
terwijl; zolang als; totdat
57nē (744)
dat niet; (om) niet te; dat; opdat niet
58nisī (730)
als niet; tenzij
62quamvīs (745)
hoewel; hoe…ook
65quīn (717)
dat; dat niet
68seu (746)
hetzij; of als
70sīve (746)
hetzij; of als
71tamquam (742)
zoals; alsof; als het ware
73ut + ind. (734)
zoals; toen; wanneer
74ut + conj. (734)
dat; (om) te; opdat; zodat
77-ne (749)
(wordt niet vertaald); of