1aequus (271)
gelijk; eerlijk
2aliēnus (46)
van een ander; vreemd
6barbarus (116)
vreemd; onbeschaafd
9clārus (245)
helder; beroemd
10dīversus (293)
verschillend; afzonderlijk
13ēgregius (281)
buitengewoon
14grātus (318)
dankbaar; aangenaam
15honestus (57)
geëerd; hoogstaand
16īnferus (170)
laaggelegen
17inimīcus (295)
vijandig
18inīquus (192)
ongelijk; ongunstig; oneerlijk
19iūstus (125)
rechtvaardig
21lātus (72)
breed; uitgestrekt
23magnus (153)
groot; belangrijk
25medius (294)
middelste; het midden van
31patrius (81)
vaderlijk; voorvaderlijk
33pūblicus (347)
officieel; openbaar
34quantus (159)
hoe groot; (zo groot) als
35rārus (84)
zeldzaam; verspreid
39saevus (203)
woest; wreed
40superus (193)
hooggelegen
41suus (88)
zijn; haar; hun
46varius (25)
afwisselend
48dignus (297)
(+abl.) waardig; passend; waard
49ignārus (334)
(+gen.) niet op de hoogte van
50plēnus (325)
(+gen.) vol
51prīvātus (183)
(+abl.) privé; beroofd van
52vacuus (111)
(+ abl.) leeg; vrij van
53cēterī (353)
de overige
60integer (329)
ongeschonden
64sacer (135)
heilig; gewijd
66alius (110)
een ander(e)
67alter (107)
de ander(e)
69sōlus (161)
alleen; eenzaam
71ūllus (228)
ook maar één; enig
72uterque (253)
elk van beide