1egredi
-ior (egressus sum) buitengaan
2tegere
-o (texi, tectum) bedekken; beschermen
3decernere
-o (decrevi, decretum) beslissen
4offerre
-fero (obtuli, oblatum) aanbieden
5tueri
-eor bekijken; beschermen
6valere
-eo gezond zijn; krachtig zijn; in staat zijn
7probare
-o goedkeuren; bewijzen
8cadere
-o (cecidi, casum) vallen
9sustinere
-eo (sustinui, sustentum) omhooghouden; tegenhouden; uithouden
10dividere
-o (divisi, divisum) verdelen
11miscere
-eo (miscui, mixtum) vermengen
12scribere
-o (scripsi, scriptum) schrijven
13contingere
-o (contigi, contactum) raken
14constare
-o (constiti) vaststaan; bestaan uit
15progredi
-ior (progressus sum) verdergaan
16adesse
-sum +dat. (adfui) aanwezig zijn; helpen
17relinquere
-o (reliqui, relictum) achterlaten; verlaten
18considere
-o (consedi, consessum) gaan zitten
19venire
-io (veni, ventum) komen
20tenere
-eo (tenui, tentum) houden; vasthouden
22deesse
-sum (defui) ontbreken; in de steek laten
23omittere
-o (omisi, omissum) opgeven
24differre
-o (distuli, dilatum) verspreiden; uitstellen; verschillen
25continere
-eo (continui, contentum) vasthouden; omvatten
26cernere
-o (crevi, cretum) in het oog krijgen; zien
27habere
-eo hebben; houden; beschouwen als
28vertere
-o (verti, versum) omkeren; veranderen in
29remittere
-o (remisi, remissum) terugzenden; laten gaan
30dimittere
-o (dimisi, dimissum) wegzenden; laten gaan